is toegevoegd aan uw favorieten.

Borneo-expeditie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

Het Meerengebied.

Een gril der maan dwong mij mijn vertrek naar het gebied 9 APr der groote meeren, dat op 8 April was vastgesteld, een dag te verschuiven. Het nieuwjaarsfeest toch der Maleiers, het einde der Poeassa (groote vasten), valt op den dag dat het maansikkeltje na de eerste nieuwe maan, volgende op 21 Maart, voor het eerst zichtbaar wordt. Nu was het op 6 April nieuwe maan, op 7 April zou dus het maansikkeltje zichtbaar worden en zouden de vasten eindigen. Nu hield zich echter op 7 April de maan geheel achter de wolken schuil, de vasten bleven dus voortduren tot 8 April, en eerst op den avond van dien dag begon de feestvreugde. Dit had ten gevolge, dat ik niet vóór 9 April, des morgens te 7 uren, met de stoombarkas Poenan de Kapoewas opstoomde, met Poelau Madjang als voorloopige bestemming. Bij het voorbijgaan van de zijriviertjes, die boven Sémitau hier en daar de Kapoewas met het meerengebied verbinden, werd ik herhaaldelijk de dupe van een eigenaardig gezichtsbedrog. Men krijgt nl. telkens den indruk, alsof het water van de Kapoewas hooger staat dan dat der zijrivieren en dat de hoofdrivier dus daarin moet leegloopen. Dit wordt door het volgende veroorzaakt. De Kapoewas is in het meerengebied aan beide zijden begrensd door een oeverwal van leem en klei, die 1—3 Meters hooger ligt dan het land daarachter. Doorbreekt nu een zijrivier dien wal en kijkt men haar van de Kapoewas in, dan ziet men haar oevers, die in de onmiddellijke nabijheid van de Kapoewas vrij hoog zijn, op een afstand van 20—100 Meter geleidelijk lager worden, terwijl zelfs bij eenigs-