is toegevoegd aan uw favorieten.

Borneo-expeditie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden veeleer in de noordelijk van deze gelegene berglanden aangetroffen. Dit is de oorzaak van den veelvuldig gestoorden afloop der wateren en hun schijnbaar tegenstrijdige richtingen 1).

Schwaner's beschrijving, die als zijn geheele werk den stempel van volkomen betrouwbaarheid draagt, zou geheel passen bij hetgeen ik in het Schwaner-gebergte heb waargenomen. Alleen wil het mij voorkomen, dat Schwaner de tata's duidelijker ontwikkeld vond dan ik, terwijl ik ook niet aanneem, dat de jonge zandsteen en kleisteen door den graniet uit hun horizontale positie zijn opgeheven. Ik neem aan, dat de zuidsteilte van het Schwaner-gebergte hierdoor is ontstaan, dat het zandsteen-plateau door een Oost-West gerichte verschuiving is afgebroken en het gedeelte, dat hier vroeger zuidwaarts aansloot, naar beneden is gezonken. Ik vermoed echter, dat, evenals bij het Madi-plateau de verschuiving, die de breuk in het zandsteen-plateau, deed ontstaan, veel zuidelijker moet gezocht worden en dus de breukrand zelve (de steilte) oorspronkelijk ook daar gelegen was; dat echter de erodeerende werking van de naar de Java-zee afvloeiende rivieren langzamerhand die steilte verlaagd en tevens aanzienlijk noordwaarts hebben terug geschoven. Waar die verschuiving ligt, die wij de groote grensverschuiving zouden kunnen noemen, is op het oogenblik nog niet met zekerheid te zeggen, en ik durf ook niet beslist te zeggen dat er verband tusschen deze groote verschuiving bestaat en de breuklijnen, waarlangs verder naar het Zuiden aan de Sambarivier vulkanische gesteenten worden aangetroffen.

Keeren wij nu tot het profiel bij den Bt. Boenjau terug, zoo zien wij dat in het heuvelland van de Boven-Samba langs de oevers van de Rassahooi, de Mënjoekoei en een deel van de Samba de bodem overal uit graniet bleek te zijn samengesteld. Het is biotiet-graniet en amphibool-granitiet, welke, zooals vroeger uitvoerig is beschreven, op vele plaatsen, waarschijnlijk aan de grenzen der massieven, geleidelijk in gesteenten overgaan,

i) Schwaner, 51 II, p. I71* I72-