is toegevoegd aan uw favorieten.

De Inkomstenbelasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3. Ingeval van liquidatie geldt de vorige paragraaf, behoudens dat wanneer het in § 2 van artikel 15 bedoelde batig saldo niet in eens wordt uitgekeerd, voor elke belastingplichtige uitkeering een afzonderlijke aanslag wordt vastgesteld.

144. Artikel 18 werd aldus gewijzigd bij Stbl. 1910 No. 371

en Stbl. 1913 No. 182.

Het bij Stbl. 1913 verhoogde tarief der overwinst belasting was een vereischte, geboden door de veranderde tijdsomstandigheden. Men moest op versterking der middelen bedacht zijn en ligt het alsdan voor de hand dat de versterking daar wordt gezocht waar vermeerdering van lasten het gemakkelijkst kan worden gedragen. Behalve deze strekking — n. 1. vermeerdering van inkomsten

— lag het verlangen naar een betere regeling der overwinstbelasting aan deze wijziging ten grondslag. Met het oude stelsel bleken de vaak zeer groote winsten uit handel, landbouw en nijverheid niet

voldoende te worden getroffen.

Met het oude ingewikkelde stelsel dat consequent doorgevoerd practisch vrijwel onuitvoerbaar was, is radicaal gebroken. Thans worden als eenigste grondslagen voor de belastingheffing aangenomen het gestorte kapitaal en de voor de uitkeering bestemde winst boven zeker percentage. Aftrek van de eerste vijf procent moest natuurlijk behouden blijven, daar het de bedoeling is niet de geheele winst, maar „de overwinst" — een term die geen nadere toelichting behoeft

— te treffen.

De tegenwoordige regeling sluit zich aan bij de winstverdeeling zooals zij in de statuten van vele Naamlooze Vennootschappen is geregeld, echter met dien verstande dat de vrijgestelde eerste 5% worden berekend niet over het kapitaal maar over de stortingen, zoodat hetgeen bij uitgifte van aandeelen boven pari aan het kapitaal wordt toegevoegd in aanmerking komt bij het bedrag waarover de

5% berekend wordt.

Bij de vraag op welk cijfer het percentage van heffing is te stellen, is men uitgegaan van de meening dat de opbrengst der overwinstbelasting tegenover het totaal der winsten die het hier geldt veel te gering was. Het rente percentage is natuurlijk eeniger mate van subjectief oordeel afhankelijk. Men houde echter in het oog dat de kleine winsten niet onder deze belasting vallen en dat overigens de dividenden, eerst na aftrek van zeker bedrag, er aan zullen

worden onderworpen.

De stijging der opbrengst werd door den Minister aan de hand van de inkomsten over 1908, 1909 en 1910 geraamd op ƒ 1.700.000.