is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

planten, o. a. bij het Blaaskruid, schijnen geen enzymen afgescheiden maar alleen de rottingsprodukten opgezogen te worden. De beteekenis van de vleeschvoeding der Insektivoren schijnt hoofdzakelijk daarin gelegen te zijn, dat zij op deze wijze gemakkelijk de benoodigde stikstof en tevens de benoodigde asclibestanddeelen krijgen. De vleeschetende planten hebben meestal een slecht ontwikkeld wortelstelsel en groeien gewoonlijk op plaatsen waar zij in den grond niet veel voedingszouten vinden.

Wat de Parasieten betreft verhouden de groene parasieten zich evenals de vrijlevende groene planten, zij assimileeren en nemen uit de voedsterplant uitsluitend of hoofdzakelijk water met de daarin opgeloste voedingszouten op. De bladgroenlooze parasieten zijn voor hun voeding geheel aangewezen op de planten waarop zij parasiteeren, zij zijn dikwijls, wat hun voeding betreft, zoo kiesclikeurig dat zij slechts op vertegenwoordigers van bepaalde plantenfamilies of van bepaalde plantengeslachten, soms slechts uitsluitend op bepaalde soorten voorkomen.

Bij de Saprophyten moeten wij onderscheid maken tusschen de enkele saprophytiscli levende zaadplanten en de zeer talrijke saprophytisch levende sporeplanten. De enkele saprophytisch levende zaadplanten zijn alle humusbewoners met zeer sterk ontwikkelde mycorrhiza's. Voor zoover men dit heeft kunnen nagaan, leven deze planten in symbiose met de mycorrhizaschimmels en worden door deze gevoed.

Over de voeding der saprophytisch levende sporeplanten is veel bekend, omdat er hierover gemakkelijk proeven genomen kunnen worden. Men kan allerlei saprophytisch levende schimmels, gistzwammen en bacteriën, zelfs paddestoelen kweeken op kunstmatige voedingsbodems. Men bereid dergelijke voedingsbodems door in water eenige voedingszouten en de een of andere organische stof op te lossen en men kan dan, desgewenscht, de vloeistof met gelatine of agar-agar vastmaken. Yoor de voeding van de meeste saprophytisch levende sporeplanten zijn noodig: eenige aschbestanddeelen en wel ongeveer dezelfde als voor de voeding van de groene plant, echter met uitzondering van ijzer en calcium, verder de een of andere organische stof en wanneer de laatste geen stikstof bevat ook nog stikstof in de een of andere organische of anorganische verbinding. De meeste saprophytisch levende sporeplanten nemen de stikstof liever niet als salpeterstikstof op, maar hetzij als ammoniakstikstof of als organische verbinding. Een voedingsoplossing waar verschillende gisten en schimmels welig in groeien, zou bijv. kunnen bestaan uit 1 L. gedistelleerd water, 2 gr. phosphorzure kali, 1 gr. zwavelzure magnesia, 50 gr. druivesuiker en 3 gr. zwavelzure ammoniak, of inplaats van deze 5 gr. pepton.