is toegevoegd aan je favorieten.

Handleiding voor den dienst der accijnzen in Nederlandsch-Indië met den tekst der op de accijnsenheffing betrekking hebbende algemeene verordeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitvoer. Het bedrag van den accijns kan, bij een eenigszins grooten invoer tegelijk, nogal oploopen. En om het nu den handel gemakkelijk te maken, heeft de belastingwetgever voor den belastingschuldige de gelegenheid opengesteld den accijns niet dadelijk te behoeven te betalen, doch uitstel van die betaling te genieten, totdat het betrekkelijke artikel in verbruik zal worden gebracht. Voor bedoeld geval waren, zooals van zelf spreekt, ook al kan het accijnsobject niet binnen het belastinggebied worden voortgebracht, alsnog nadere bepalingen ter verzekering van den accijns noodig. Die bepalingen betreffen den opslag in bergplaatsen, de kredietrekening, de regelen voor den op- en u'tslag gesteld, de aanpeilingen, de zekerheidstelling.

§ 1. Opslag in bergplaatsen.

De toelating van accijnsgoederen onder genot van krediet voor den accijns brengt in de eerste plaats mede, dat op die goederen na den invoer nog controle moet worden uitgeoefend ten einde te voorkomen, dat deze in verbruik worden gebracht, zonder dat de verschuldigde accijns wordt voldaan. En nu behoeft het wel geen betoog, dat de uitoefening dier controle alleen dan mogelijk is, wanneer men weet waar de goederen na den invoer blijven, terwijl het mede voor de hand ligt, dat de uitoefening der controle ondoenlijk zou zijn, indien het aan den kredietgenietende vrij zou staan de goederen op te slaan overal waar hem zulks maar zou goeddunken. De hier te lande vigeerende bepalingen openen dan ook alleen de gelegenheid tot het genieten van accijnskrediet na den invoer voor de van buiten het tolgebied herkomstige accijns-goederen, voor zoover deze in z.g. bergplaatsen worden opgeslagen d.z. aan de douane bekende bewaarplaatsen, welke uitsluitend dienen tot den opslag van accijnsgoederen onder genot van krediet voor den accijns ').

Dl bepalingen eischen voor elke soort van accijnsgoed afzonderlijke bergplaatsen.

Daarbij stellen zij, wat aangaat bergplaatsen voor petroleum en gedistilleerd, voorts nog als algemeene voorwaarde voor de toelating van een gebouw als bergplaats, dat er geen gemeenschap besta tusschen dat gebouw en eene inrichting tot voortbrenging van de goederensoort, die in dat gebouw onder accijns-

1) art. 8 O. O., art. 7 O. P., art. 4 O. L.