is toegevoegd aan uw favorieten.

Eenige fragmenten uit toestanden in Nederland en Insulinde, beschouwd uit een christelijk economisch standpunt en voorgelegd aan het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te weinig en willen alleen zijn best zijn door onze wetten. Dan zijn de resultaten dat zij ontevreden worden, dat zij willen gaan doen wat wij doen en op het laatst zeggen ook wij dat de levensstandaard is verhoogd, dat zij zooveel eischen, doch wij zelf hebben hen niet behoorlijk, willen leeren. De lust tot werken gaat weg en nog eene stap, zij zijn armlastig !

Dan nog is een voorname factor tot vermeerdering van het aantal armen : dat velen zich buiten den kring van hun financieele begeven. Zijn zij daarvoor verantwoordelijk? Ja en toch neen! Wij hechten veel aan het gezegde „ben ik mijns broeders hoeder" en willen dit immer ontkennend beantwoorden, maar laten wij niet vergeten dat wij later aan God zullen moeten verantwoorden, wat wij met onzen geest gedaan hebben.

Zijn wij, die het verstand hebben gekregen en de kracht door het geloof, niet de verantwoordelijke, wanneer wij ons laten zien op wegen, waar wij niet behooren, om zoodoende de van geest minder krachtigen te brengen op dien weg en daarvoor zouden wij niet willen zijn onzes broeders hoeder ? Neen, dit komt, omdat ons lichamelijk nog te veel eischt!

Willen wij geen verantwoording hebben, laten wij hen dan niet alleen voorgaan op den rechten weg, maar hen er tevens toe aansporen daarop te blijven en God daarvoor om kracht bidden. Ziet, hoe groot de som is, besteed voor drank en voor andere dingen, die wij niet alleen niet noodig hebben, maar die voor ons lichaam en onzen geest slecht zijn. Daarom: gaat uwe medemenschen voor in rein leven ! Zeker, bij brood alleen kunnen wij niet leven. Vermaak echter, niet leidend tot buitensporigheden, schaadt niet.

Leeren wij den werkman thuis gezellig zijn, roept bijeenkomsten samen en leert hem daar hoe men leven moet. Het geld daarvoor uitgetrokken, uit onze beurs afkomstig, is al verlichting en geeft betere resultaten dan eene armenwet. Zouden zij op die bijeenkomsten komen ? Zeer zeker, maar leert hen niet als kinderen, maar beschouwt hen als medemenschen en oordeeltnooit of iemand goed is naar zijne kleeding of spraak.

Is het geen verheffing voor iemand, zoogenaamd uit de lagere standen, geeft het geen uitroeping van blijdschap, wanneer men, als meerdere van stand, hem vraagt: „Hoe zoudt gij dat denken" en hem geloof geeft dat zijn oordeel zal worden overwogen ?

Het is onze maatschappij, die helaas het verstand beoordeelt