is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds op 9 Mei 1894 gedaan en door Gedeputeerde Staten op 27 Juli daaraanvolgende afgewezen was, en dat de vergunning tot het plaatsen van den door het gemeentebestuur in zijn adres genoemden stoomketel reeds bij Koninklijk besluit van 19 Maart 1894 no. 19, „als eindbeslissing" was geweigerd ; voorts dat alle thans bestaande toestellen op de gasfabriek onder de werking der tegenwoordige wet zijn vergroot, uitgebreid, verplaatst of nieuw gesticht en in werking gesteld — behalve een exhauster —zonder de vereischte vergunning, zoodat thans met recht gezegd kan worden, dat de gasfabriek in strijd met de wet bestaat;

dat opeenhooping van nog meer toestellen op het kleine, thans binnen de kom der gemeente gelegen, terrein deigasfabriek groot gevaar oplevert niet alleen voor de klagers, maar voor de stad Helmond in het algemeen, daar ontploffingen in gasfabrieken dikwijls voorkomen en in deze fabriek niet de noodige voorzichtigheid ter voorkoming van brand wordt betracht:

dat bovendien door den walm en de lucht van de fabriek een aanzienlijk stadsgedeelte wordt verpest, de gezondheid der inwoners wordt bedreigd en de eigendommen in hunne waarde zullen verminderen, en dat thans het oogenblik is aangebroken om hen van gevaar, schade en hinder te ontlasten door de fabriek buiten de kom der gemeente te verplaatsen;

dat Gedeputeerde Staten bij besluit van '21 September 1894, G. no. 71, de gevraagde vergunning hebben verleend , na te hebben overwogen , dat bij Koninklijk besluit van 15 Mei 1862, no. 44, aan het gemeentebestuur vergunning is verleend tot het oprichten van eene gasfabriek op het bovengenoemd terrein;

dat de bezwaren in hoofdzaak zijn gericht tegen het bestaan der fabriek, als zijnde gelegen in een bebouwd gedeelte der gemeente;

dat echter deze bezwaren buiten beschouwing kunnen worden gelaten vermits de fabriek, opgericht krachtens de bij bovengenoemd Koninklijk besluit verleende vergunning, moet geacht worden wettig te bestaan;

dat wat betreft de bezwaren tegen de voorgenomen uitbreiding der fabriek en het daardoor ontstaan van gevaar mag

worden verwezen naar eene door het gemeentebestuur medegedeelde verklaring van deskundigen, die de fabriek en de daaraan te geven uitbreiding in loco hebben onderzocht en uit welke verklaring blijkt, dat de inrichting zooals die thans is geprojecteerd, alle gedachte van gevaar of hinder uitsluit en de veiligheid der fabriek beter is gewaarborgd dan in vele andere bestaande gasfabrieken : dat de bewering als zouden na de invoering der wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad no. 95) verschillende uitbreidingen aan de fabriek zijn gegeven zonder daartoe verkregene vergunning door niets is gestaafd noch bewezen;

dat J. R. Neles en P. J. Coovels tegen dit besluit bij Ons in beroep zijn gekomen en daarbij — onder herhaling der vroeger door hen aangevoerde formeele bezwaren — hebben aangevoerd dat uit het feit dat de fabriek in 1862 wettig is opgericht, niet mag worden afgeleid, dat zij nu in 1892 ook nog wettig bestaat; dat zulks juist wegens de sedert 1875 aangebrachte uitbreidingen en wijzigingen niet het geval is; dat een verslag van deskundigen, door eene der partijen gekozen, uit den aard der zaak geene voldoende waarborgen van betrouwbaarheid aanbiedt en meer waarde te hechten is aan dat van den Hoofdingenieur van den Provincialen Waterstaat;

dat Gedeputeerde Staten door van het gemeentebestuur van Helmond op te vragen de gemeenterekeningen , de rekeningen der gasfabriek, de verslagen over den toestand dier fabriek, de primitieve bestekken, de bestekken van wijzigingen der gasfabriek enz., tot de zekerheid hadden kunnen komen, dat er werkelijk na de invoering der wet van 2 Juni 1875 (Staatsblad no.95) verschillende uitbreidingen aan de fabriek zijn gegeven, terwijl door afschrift te vragen der voor die uitbreidingen noodige vergunningen of door de registers dier vergunningen door henzelve verleend, te raadplegen, zij al spoedig de stellige overtuiging zouden hebben verkregen, dat die uitbreidingen steeds zijn geschied, zonder de vereischte vergunning,

Op welke gronden appellanten Ons verzoeken het besluit van Gedeputeerde Staten van Noordbrabant dd. 21 September 1894, G, no. 71, te vernietigen;

Overwegende, dat in de eerste plaats behoort te worden nagegaan of het ver-