is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat daarop de gemeenteraad — uit overweging, dat met het oog op particuliere praktijk Nieuwehorne de aangewezen staiidplaats is voor den gemeentegeneesheer; dat, indien aldaar voor hem

geen woning wordt beschikbaar gesteld, het niet mogelijk zal zijn voor de geneesen heelkundige behandeling der armen in de bovengenoemde dorpen een geneesheer te behouden of te bekomen en dat het dus in het belang is der gemeente, uit wier kas het burgerlijk armbestuur

subsidie geniet, voor dien ambtenaar eene woning te bouwen — op 15 Augustus 1808 in beginsel heeft besloten:

a. art. 9 der instructie voor den geneesheer te wijzigen als volgt: „Hij heeft woonplaats te Nieuwehorne

b. uit te spreken, dat het in het belang der gemeente is, voor dien gemeente-geneesheer eene woning te bouwen, waarvan de jaarlijksche huurwaarde de som van f 300 niet te boven gaat;

c. het armbestuur daarvan en van de wijziging der instructie mededeeling te doen met uitnoodiging tot de stichting der woning te Nieuwehorne over te gaan, zoodra de daarvoor geschikte grond kan •zijn bekomen en nadat de geneesheer heeft aangenomen, zich gedurende de drie eerste jaren na den bouw voor de betaling van de huur te verbinden;

d. enz.;

e. dat met ingang van het tijdstip, waarop de woning zal zijn voltooid, de jaarwedde zal bedragen ƒ1450 met genot van vrije woning;

dat het burgerlijk armbestuur vervolgens aan 's raads uitnoodiging heeft gevolg gegeven en de geneesheer D e Vries, met het besluit in kennis gesteld, zich overeenkomstig punt c verbonden en op 1 September '1898 zijne betrekking aanvaard heeft;

dat het burgerlijk armbestuur alsnu aan Gedeputeerde Staten machtiging heeft gevraagd om voor f 250 een stuk grond aan te koopen, ter grootte van 12 are, 69 centiare, uitmakende het noordoostelijk deel van het kadastraal perceel gemeente Mildam, sectie C, no. 2436, daarbij te kennen gevende, dat zoodra aan dat verzoek zou zijn voldaan, machtiging zou worden gevraagd tot het bouwen van de woning en tot het aangaan van eene geldleening ten einde daarmede de koopsom van den

grond en de bouwkosten van de woning te dekken;

dat Gedeputeerde Staten echter op '15 December 1898 hebben besloten, de gevraagde machtiging niet te verleenen; dat zij daarbij hebben overwogen, dat het armbestuur had te kennen gegeven, dat eventueel te dezer zake eene geldleening zou moeten worden aangegaan en alzoo de voorgenomen aankoop, bouw enz. niet te beschouwen is als eene geldbelegging; dat waar dit niet het geval is, er nog veel minder termen bestaan om de gevraagde goedkeuring te verleenen dan indien voldoende fonds voor het aangewezen doel aanwezig ware; dat toch het bezit van woningen in het algemeen een niet gewenscht bezit is voor corporatiën als armbesturen, maar dit allerminst het geval is ten opzichte van woningen, welke eenige titularis ambtshalve verplicht wordt (nog wel niet door het armbestuur, den eigenaar zelf, maar door de gemeente) te betrekken; dat voorts krachtens geen enkel wettelijk voorschrift op eenig burgerlijk armbestuur de plicht of taak rust, om uitgaven te doen als die, welke uit den voorgenomen aankoop en bouw zouden voortvloeien;

dat, nadat Burgemeester en Wethouders onder overlegging \an een schrijven van het burgerlijk armbestuur aan Gedeputeerde Staten verzocht hadden, van hun besluit terug te komen en de tweeledige machtiging alsnog te verleenen, Gedeputeerde Staten op 19 Januari 1899 verklaard hebben, dat daartoe geen termen bestonden;

dat het burgerlijk armbestuur alsnu van Gedeputeerde Staten bij Ons in beroep is gekomen en Ons heeft verzocht met vernietiging van de beide besluiten van Gedeputeerde Staten alsnog machtiging te verleenen om het stuk grond aan te koopen en daarop een woning voor den geneesheer te bouwen;

Overwegende, dat de beslissing op dit beroep afhankelijk is van de vraag of er voor het appelleerend bestuur goede redenen bestaan, eene woning voor een geneesheer te doen bouwen;

dat dit bestuur omtrent deze vraag alsnog heeft aangevoerd, dat de voorganger van den geneesheer De Vries zijne betrekking hierom slechts zoo kort heeft bekleed, omdat hij geene geschikte woning kon vinden; dat laatstgenoemde