is toegevoegd aan uw favorieten.

Verzameling van de sinds 1850 in het Staatsblad opgenomen Koninklijke vernietigingsbesluiten in afdeelingen chronologisch geordend, toegelicht door korte weergave van den inhoud en analyseerende aanteekeningen en voorzien van verschillende klappers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NO. 48. Koninklijk Besluit van den 2(pten Juli 2900 (Stbl. n°. 144), waarbij met vernietiging van een besluit der Gedeputeerde Staten van Friesland dd. 7Maart 1900, nu. 40, en onder gegrond verklaring van het daartegen ingesteld beroep, aan de begrooting der gemeente Schoterland dienst 1900 alsnog goedkeuring wordt verleend.

Art. 47 der lageronderwijswet (1889), waarbij aan het gemeentebestuur de verplichting wordt opgelegd , zooveel mogelijk het schoolgaan der kinderen van bedeelden , onvermogenden en minvermogenden te bevorderen, laat de keuze der middelen, om tot dat doel te geraken, vrij.

Waar de raad dus in casu, blijkens gegeven toelichting, het verstrekken van voeding en de voorziening in schoeisel aan behoeftige schoolkinderen als middel om schoolverzuim te bestrijden , bij wijze van proef, heeft aangegrepen, is dat middel niet te beschouwen, als bij genoemd art. 47 te zijn uitgesloten.

En waar nu is gebleken, dat in de gemeente het schoolverzuim groote afmetingen heeft aangenomen, en dit verzuim gedeeltelijk is te wijten aan gebrek aan voedsel en schoeisel bij behoeftige kinderen, is de post, ter begrooting uitgetrokken, om in dat gebrek op de bovengemelde wijze te voorzien en aldus het schoolgaan te bevorderen van kinderen, die door armoede de school verzuimen of dreigen te verzuimen, gerechtvaardigd te achten.

Voorts zijn de uitgetrokken gelden niet onevenredig aan het beoogde doel.

Het besluit van Gedeputeerde Staten, waarbij wegens den bedoelden post de goedkeuring aan de gemeentebegrooting werd onthouden, dient dan ook te worden vernietigd, ter¬

wijl de goedkeuring alsnog behoort te worden verleend.

interpretatie, waar de aard van den bestreden uitgaafpost uit zijne toelichting wordt afgeleid; interpretatie, waar wordt aangenomen, dat de uitgaaf dus strekt tot het aanwenden van een middel om aan de verplichting, bij art. 47 der lageronderwijswet den gemeentebesturen opgelegd, te voldoen:

interpretatie, waar dan ook niet wordt ingegaan op het bezwaar van Gedeputeerde Staten, dat de te nemen maatregel bedeeling zou beoogen en niet in overeenstemming zou zijn met de beginselen der avmemvet; interpretatie, waar wordt uitgemaakt, dat art. 47 de middelen tot nakoming der bij dat artikel opgelegde verplichting vrij laat en het in casu gekozen middel niet is uitgesloten; interpretatie, waar wordt aangetoond, dat de gegeven omstandigheden het gekozen middel juist zeer doeltreffend doen zijn en waar de kosten niet aan het doel onevenredig worden geoordeeld.

Wij Wilhelmina, enz.

Beschikkende op het beroep, ingesteld door den Raad der gemeente Schoterland, tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van Friesland, dd. 7 Maart 1900, no. 40, 2de afdeeling F, waarbij goedkeuring is onthouden aan de begrooting dier gemeente voor 1900;

Den Raad van State, afdeeling voor de geschillen van bestuur, gehoord, advies van 13 Juni 1900 no. 123;

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken van 17 Juli 1900 110.3621,afdeelingBinnenlandsch Bestuur;

Overwegende, dat Burgemeester en \\ ethouders van Schoterland bij missive dd. 15 December 1899 no. 433 aan Gedeputeerde Staten van Friesland ter goedkeuring hebben gezonden de begrooting van inkomsten en uitgaven der gemeente voor het dienstjaar 1900:

dat Gedeputeerde Staten bij besluit van 4^ Januari 1900 no. 60, 2de afdeeling I'. hebben besloten Burgemeester en Wethouders van Schoterland uit te noodigen den Raad hunner gemeente in overweging te geven voormelde begrooting in dien zin te wijzigen, dat de post,