is toegevoegd aan uw favorieten.

Herinneringen uit den zendingsarbeid op Halmahera

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belastingcontroleurs ten bate van de Sultans van Ternate en Tidore. Zij bezaten geen macht en alleen door hun zedelijk overwicht konden zij iets bij de bevolking uitrichten.

Het was een geweldig tumult den dag van onze aankomst. Qamsoengi, het dorp, waar Broeder Hueting woonde, heeft het ongerief, dat de schepen een heel eind uit den wal moeten blijven liggen, omdat een breede ondiepte zich ver in zee uitstrekt en bij laag water is het zelfs lastig om met kleine vaartuigen te landen. Onze goederen moesten zoo spoedig mogelijk gelost worden en heel wat menschen waren daartoe noodig. Alles ging gelukkig naar wensch. De bevolking was gewillig een handje te helpen. Hier had men niet het ongerief zooals vroeger op Papoea, dat men de menschen betalen moest met koralen, messen en bijlen, maar men vroeg hier geld en een zeer matige betaling werd geëischt.

Ik had goede gelegenheid de bevolking gade te slaan. Flinke gespierde, krachtige mannen repten zich. De kleeding, die zij droegen, was een sarong om de lendenen, en wanneer zij netjes waren, droegen zij een korte broek met jasje en een slendang schuin over den schouder. De meesten, zoo niet allen, hadden lang afhangend hoofdhaar, dat in een wrong om het hoofd geslagen was en bedekt werd door een hoofddoek. Stevige mannen, voor geen klein geruchtje vervaard.

Van hun taal verstonden wij geen woord. Daar is tusschen de hunne en die der Papoea's niet de minste overeenkomst. Gelukkig waren er verscheidenen, die Maleisch spraken, zoodat ik mij behelpen kon met die taal. Broeder Hueting was enthusiast over zijn Tobeloreezen en geen wonder.

God had hem tot een rijken zegen gesteld. Dat brutale gevreesde volk was gekomen onder den invloed van Gods Geest. Niet dat allen gedreven werden door geestelijke behoeften; daar waren er, die niet goed wisten, waarom zij het heidendom wilden verlaten, d.w. z. het was hun niet volkomen duidelijk, maar een macht, sterker dan zij zeiven, dreef hen daartoe.

Wellicht was hier en daar hoop om door Christen te worden rijkdom te verwerven, maar daar was koren en niet alleen kaf en wij hebben recht om te zeggen: „de beweging naar het Christendom", zooals men het genoemd heeft, is gewerkt door den Heer zeiven.

Onder die eenvoudige, weinig wetende Christenen had men vaak verrassende bewijzen, dat het hun volkomen ernst was,