is toegevoegd aan uw favorieten.

Kiekjes uit de Soendalanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schieten en vruchtdragen. Maar als die vrucht uitblijft, als het zaad viel op den harden grond of op steenachtige plaatsen of in de doornen, en telkens zijn hoop vervloog, nietwaar, dan was het moeilijk, om 't gelaat te vertoonen van een, die blijde is en die hoopvol blijft. Nog erger is het, als die dienstknecht vóór den akker staat, met 't zaad in de hand, om het te strooien, en er komt een booze macht, die zegt: „Gij zult hier niet zaaien".

Nu, zoo ging het den eersten zendelingen der Nederlandsche Zendingsvereeniging. Ik vertelde u, dat ze op 16 Januari 1863 vroegen aan den Gouverneur-Generaal of ze mochten beginnen met de evangelieprediking aan de Soendaneezen. Lang wachtten ze op het antwoord op dat verzoek, en toen het eindelijk kwam, was het een weigering. De regeering van Ned.-Indië was bang, dat de Mohammedanen allen zouden opstaan tegen haar gezag, indien de zendelingen begonnen het Evangelie onder hen te prediken. Hoofdzaak was, dat de regeerings-ambtenaren voor zich zeiven het Evangelie niet begeerden en het voor de Soendaneezen niet noodig achtten.

Inmiddels zaten de broeders niet stil. Zendeling Albers verhuisde naar Tjiandjoer. Daar woonde een zendeling van de Doopsgezinde kerk, Klinkert geheeten. Hij had te Tjandjoer een schooltje geopend en daar hij naar elders moest verhuizen, bood hij aan zendeling Albers aan, die school van hem over te nemen. Van der Linden had bericht ontvangen, dat hij in Cheribon wel zou mogen arbeiden, maar toen hij hoorde, dat er te Indramajoe