is toegevoegd aan uw favorieten.

Napoleon

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gedurende zijn verblijf te Warschau, bekwam de Keizer het volgende verzoekschrift:

Sire!

„Mijne doopakte is van het jaar 1690; ik ben derhalve tegenwoordig honderd zeventien jaren oud. Ik herinner mij nog de slag van Weenen en de tijden van Johannesi Sobiesky."

„Ik geloofde dat zij zich nimmer weder voordoen zouden, maar gewis heb ik nog minder verwacht de eeuw van Alexander terug te zien."

„Mijn hooge ouderdom heeft mij de weldaden verschaft van alle Souvereinen, die hier geweest zijn, en ik maak ook aanspraak op die van den Grooten Napoleon, daar ik als een meer dan honderdjarige grijsaard buiten staat ben te arbeiden."

„Moogt gij, Sire, zoo lang leven als ik; uw roem behoeft zulks wel niet, maar het geluk van het menschdom vordert het."

Narocki.

De Keizer, wien de grijsaard het verzoekschrift zelf overhandigde, beijverde zich aan zijn verlangen te voldoen; hij stond hem een pensioen van honderd Napoleons toe, en liet het hem dadelijk een jaar vooruitbetalen.

De belichten van Konstantinopel verbitterden Keizer Alexander, zonder hem den wensch in te boezemen, om de vijandelijkheden aan den Weichsel te doen ophouden, opdat hij zijne strijdkrachten naar den Donau zou kunnen richten. Wel verre van hiertoe te besluiten, maakte hij zich veeleer de aankomst van versterkingen uit Moldavië ten nutte, en wilde de Franschen uit hun winterkwartieren rukken en eensklaps wederom de vijandelijkheden aanvangen.

Napoleon ontwaarde niet genoegen deze voornemens van den Russischen Keizer. Hij gaf aan Bernadotte bevel daarvan gebruik te maken, en voor het Russische leger terug te