is toegevoegd aan uw favorieten.

Schetsen uit het leven in het kinderhuis te Alkmaar in Suriname

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

De twee zusjes, die na zooveel ellende elkander terugvonden.

Het was in den tijd van de Spaansche Griep, toen de lijkstoeten van den morgen tot den avond door de straten trokken, toen kranken en stervenden in ieder huis te vinden waren, zonder dat de een den ander helpen kon, dat er bijna iederen dag voor een Indisch weeskind bij ons werd aangeklopt. Zoo kwam ook Soomaria, een meisje van 9 jaar, maar met éen oog. Mager en ellendig zag zij er uit, en zij was zeer, zeer bedroefd.

Ze wou niet spelen noch eten, ze zette zich neer en weende maar. Wij vroegen haar of ze om haar moedïr weende, maar ze antwoordde van neen. Om haar vader dan, maar weder néén. Toen ze echter wat kalmer was geworden, vertelde ze ons haar leed, een leed zóo groot en zwaar, dat het niet te dragen scheen. Haar klein hart moest breken.

Ze hadden in een klein huisje gewoond, hun ouders, haar zusje en zij, en ze zouden zoo samen gelukkig geweest zijn. Toen was echter de booze dood gekomen en had deze haar vader gehaald. Daarop was hij weder gekomen en had moeder gehaald. En de menschen hadden haar begraven. Ze bleef met haar zusje Dhilwa alleen achter. En nu had ze voor dat zusje een moeder willen zijn. Ze hadden nog een paar zakken rijst en kookpannen genoeg in huis. Zoo zou alles heel goed gaan. Ze zou voor beiden koken en zoo zouden ze samen gelukkig wezen. Nu gebeurde echter het verschrikkelijke.

Den volgenden dag, zoo vertelde ze verder, was er een man gekomen en had het lieve zusje, het mooie, goede kind met twee oogen, weggenomen en zij wist niét, waarheen hij haar had gebracht. Den volgenden dag waren er weer menschen gekomen en die hadden haar hierheen gebracht. Nu waren ze gescheiden. Ze kon echter zonder haar zusje, haar Didi, niet leven, ze zou niet eten noch drinken, zoolang ze haar zusje niet gevonden had en tot haar teruggebracht was.