is toegevoegd aan uw favorieten.

Met Jezus op den berg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader voedt nogtans dezelve: gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? (6:26).

Indien gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden. (7:11).

Door zoo gedurig God met nadruk hun Vader te noemen, wil de Heiland het besef van hun zoonschap bij de discipelen opwekken. Zoo iets dan moest het telkenmale herhaald: „uw Vader, die in de hemelen is" hun onophoudelijk in geheugen en hart blijven weerklinken.

Zoo iets dan moest deze naam aan hun God gegeven hen hebben getroffen. Want in dien naam werd hun een nieuwe, de hoogste waarheid aangaande God geleerd, die noch Mozes, noch de profeten, zelfs niet Johannes de Dooper, hebben uitgesproken.

Wie zal ons zeggen welk een strijd, maar ook welk een vreugde het menigen discipel heeft gekost, voor 't eerst in de binnenkamer God als „zijn Vader, die in de hemelen is" toe te spreken.

De gansche rede des Heeren is er op aangelegd om bij de discipelen het besef van wat hun zoonschap beteekende op te wekken.

Hij noemt ze zonen Gods. Niemand voor Hem had het gewaagd dit te doen, omdat niemand voor Hem zich als zoon des hemelschen Vaders heeft gekend.

De armen van geest hoorden dit woord, gewis, om het zich toe te eigenen. Zij geloofden den Heere, maar het ontbrak hun aan 't noodige innerlijke licht, om zijn woord met vreugde aan te nemen.

En de farizeën en schriftgeleerden die den Heer mochten hebben aangehoord? Het klonk hun godslasterlijk in de ooren, dat de Heer die door hen verachte discipelen, Gods zonen durfde noemen.