is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landsche kolonie. Zijn conclusie was: „de afgoderij als delictum sui generis moet uit de Surinaamsche strafwet verdwijnen". Van Kol betoogde hiertegenover1), dat het artikel volstrekt geen belemmering was voor de godsdienstvrijheid en dat het alleen gericht was tegen excessen, waartoe die afgoderij leidde en die zonder twijfel moesten worden tegengegaan s). Minister Fock gaf toe, dat de uitdrukking in art. 172 wellicht minder juist was, doch de rechter, aldus de minister, „is een rechter die de toestanden in de kolonie kent en de bepaling dus wel zoo zal opvatten als zij behoort te worden opgevat" s).

Bij publicatie van 3 Januari 1911 werd afgekondigd het koninklijk besluit van 14 October 1910, no. 44, tot vaststelling van een wetboek van Strafrecht voor de kolonie Suriname (Gouv. Blad 1911, no. 1). Art. 472 van dat nieuwe Strafwetboek luidt: „Hij die afgoderij pleegt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd gulden". Veel duidelijker is de redactie dus niet geworden, want wat hier onder afgoderij moet worden verstaan, blijft onverklaard. Gelijk bekend is, trad het nieuwe strafwetboek, volgens art. 1 van de verordening van 29 November 1915 (Gouv. Blad 1915, no. 78), op 1 Januari 1916 in werking.

In de kolonie Curagao komen, voor zoover ik kon nagaan, geen, of bijna geen heidenen voor. Bijlage B van het koloniaal verslag over 1916 verdeelt de ingezetenen naar de kerkgenootschappen, waartoe zij behooren; hieruit blijkt, dat op een totale bevolking van 56 754 zielen slechts 59 personen een anderen godsdienst belijden dan den protestantschen, den katholieken of den Israëlietischen.

§ 2. Hindoes.

Daar de Hindoes in Nederlandsch-Indië nog slechts voorkomen op Bali en Lombok, benevens daar, waar Baliërs dan

') Handelingen 1907—1908, 2e kamer, blz. 478.

2) Vgl. C. van Coll, Gegevens over land en volk van Suriname, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, 1903 (dl. LV), blzz. 564—572.

3) Handelingen 1907—1908, 2e kamer, blz. 478.