is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren volkomen in strijd met het beginsel der individueele godsdienstvrijheid; ook het in 1859 ingestelde examen was uit dit oogpunt moeilijk te verdedigen. Bevoorrechting, anderzijds, van hadji's als zoodanig komt echter evenzeer in conflict met het door de regeering aangehangen neutraliteitsbeginsel. Wat de bedevaartreis betreft, er is „slechts weinig spitsvondigheid toe noodig om een redeneering op te bouwen, waarin het betoog geleverd wordt, dat, door het verleenen van zoo velerlei bescherming, het gouvernement de bedevaart naar Mekka zou hebben aangemoedigd"x), doch veel klemmender lijkt de meening, „dat, als het gouvernement in gebreke ware gebleven om, waar het mogelijk bleek, op te komen voor en te waken over de belangen zijner onderdanen op reis naar en van het heilige land en . . . gedurende hun verblijf aldaar, dat alsdan het gouvernement jegens zijn millioenen Mohammedaansche onderdanen in zijn plicht zou zijn te kort geschoten. Geen enkele van de boven aangehaalde voorschriften geeft het recht tot de conclusie, dat het gouvernement den islam op overdreven wijze zoude ontzien. Zij, die deze bewering juist meenen te kunnen maken, zullen zich moeten beroepen op andere maatregelen dan die, welke genomen zijn ten aanzien van of met betrekking tot de bedevaart" 1). Naarmate, door het steeds toenemend aantal pelgrims, de vrees voor hadji's minder werd, en men langzamerhand begon in te zien, dat de kiemen van fanatisme, zoo ergens, dan toch alleen in de Djawah-kolonie te Mekka zich konden ontwikkelen, doch zeker niet onder de scharen terugkeerende pelgrims, kwam, gelijk bleek, het Nederlandsche gouvernement er dan ook meer en meer toe, de Mekkagangers niet alleen geen hinderpalen in den weg te leggen, maar hun de reis ook gemakkelijker te maken. Intusschen kwam men in de kamers telkens weer aandragen met de „versleten argumenten" om de regeering te nopen, „eindelijk eens maatregelen te nemen tot tegengang van den

*) C. Spat, Gouvernement en Bedevaart, Indische Gids 1912, I, blz. 353. Vgl. ook Dr. C. Snouck Huroronje, Nederland en de Islam, 2e druk, blz. 59.