is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haddj" x). Het tweede-kamerlid Wintgens heeft eens een zes kolommen lange bestrijding van de politiek der regeering te dezer zake aangedurfd. Hij noemde met Veth de hadji s „het gevaarlijkste element in de Javaansche maatschappij en de grootste vijanden van het Nederlandsche gezag 2), drong aan op wederinvoering van de in 1852 afgeschafte reispenning van 1825, en tastte de arme Mekka-gangers ook verder zoo krachtig aan als na hem niet meer is geschied 8). Gelukkig maakte zijn lange rede niet veel indruk op de regeering.

In zake de vergemakkelijking van de reis naar Mekka en de opzichtige reclame daarvoor door de stoomvaartlijnen gemaakt, betoogde De Waal Malefijt in 1898, dat hij weliswaar niet de regeering wilde aansporen tot een actief optreden tegen het Mohammedanisme, door b.v. de bedevaart te verbieden of te bemoeilijken, maar dat toch evenmin de regeering die bedevaart mocht aanmoedigen of daarvan den schijn aannemen, door het toelaten van kleurige plakkaten en allerlei voorstellingen der stoomvaartlijnen, ter opwekking tot de bedevaart 4). Minister Cremer antwoordde, dat de regeering die kleurige prospectussen niet kon verbieden, maar dat zij de aandacht der Indische autoriteiten er op zou vestigen5). In dergelijken zin liet ook minister Idenburg zich uit, toen het eerste-kamerlid Van der Biesen klaagde over de verspreiding van het fanatisme door de Mekkagangers, die „met hun tulband, hun mooie kleed, sandalen of verlakte schoentjes, als parasieten door de inlandsche bevolking onderhouden moesten worden", en die vervolgens de hoop uitsprak, dat vele Javanen zouden thuisblijven, als de jaarlijksche tochten door de stoomvaartmaatschappijen niet zoo opzichtig geannonceerd werden6). De minister betwijfelde, of die kleurige reclame veel invloed had

1) Dr. C. Snouck Huroronje, Nederland en de Islam, 2e druk, blz. 56.

2) P. J. Veth, Java, 1ste druk (1875), I, blz. 406.

3) Handelingen 1881 — 1882, 2e kamer, blz. 153.

«) Handelingen 1898 — 1899, 2e kamer, blz. 162.

5) Handelingen 1898—1899, 2e kamer, blzz. 182 — 183.

6) Handelingen 11)02—1903, 1ste kamer, blzz. 102, 99.