is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„dat, waar mogelijk en dan zoo spoedig mogelijk, gebroken werd met het bestaande gebruik."

Telkens wanneer nieuwe pasars werden geopend, zou als voorwaarde gesteld kunnen worden: uitsluiting van den Zondag, terwijl nagegaan zou kunnen worden

„of, en zoo ja, welke bezwaren zich tegen uitzondering van den Zondag verzetten en wat zou kunnen worden verricht om die bezwaren te ondervangen. Zoo zou, voor zoover het houden van pasar op Zondag verband houdt met de omstandigheid, dat de marktregeling nog op de Javaansche (vijfdaagsche) pasarweek berust, naar de meening van den Landvoogd zijn te overwegen of daarvoor niet eene regeling volgens de Europeesche weekdagen in de plaats kan worden gesteld, waarbij dan uiteraard de Zondag als marktdag zou zijn uitgesloten."

Een der hoofden van gewestelijk bestuur vestigde, naar aanleiding van deze laatste circulaire, de aandacht van den Gouverneur-Generaal op de mogelijkheid, dat de ambtenaren aan die circulaire wel eens de strekking zouden kunnen toekennen, om dadelijk het houden van pasar op Zondag te verbieden. Vandaar dat een nadere circulaire van 8 September 1910 (no. 2062) eventueelen al te grooten ijver van de zijde der ambtenaren tracht te voorkomen door uitdrukkelijk in herinnering te brengen, dat bij de overweging van de mogelijkheid tot afschaffing van het bestaande gebruik, eventueele — in het bijzonder economische — bezwaren niet mochten worden veronachtzaamd 1).

Zijn deze circulaires in overeenstemming met art. 119 regeeringsreglement?

Over deze vraag werd, bij het voorloopig verslag over de begrooting voor 1911 en bij de begrootingsdebatten zelf van dat jaar, fel gestreden. Zoo onschuldig als dezen de circulaires noemden, voor zoo gevaarlijk en noodlottig werden ze door anderen gehouden. De voorstanders betoogden, „dat een Christelijke regeering niet moet schromen om voor haar gods-

*) De tekst is gepubliceerd als bijlage C der memorie van antwoord op de ontwerp-begrooting voor 1911 (Handelingen 1910 — 1911, 1ste kamer, blz. 118.)