is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van vestiging aan de Indische regeering voldoende achtte J). De regeering gaf den minister ten aanzien van het eerste punt gelijk en achtte dus nu haar vroeger standpunt in dezen onjuist, maar ten aanzien van het tweede punt ging zij niet met den minister mede. Haars inziens sloot een erkenning als kerk geenszins in zich een erkenning als rechtspersoon. Volgens haar meening waren de kerkgenootschappen als vereenigingen van personen te beschouwen, die dus vielen onder de wet van 1855. Bestonden ze vóór de inwerkingtreding van deze wet, dan waren ze volgens art. 15 rechtspersonen (vgl. art. 1691 van het Ned. burgerlijk wetboek); alle kerken echter, na dat tijdstip ontstaan, moesten volgens artt. 5 en 6 hunne statuten doen goedkeuren, alvorens als rechtspersoon te kunnen optreden. Waar nu de wet van 1855 in 1870 (Ind. Stb. 1870, no. 64) voor Indië was toepasselijk verklaard en de Christelijk gereformeerde kerk te Batavia eerst in 1873 was gesticht, zou die kerk alleen door te voldoen aan de bepalingen van dit koninklijk besluit rechtspersoonlijkheid kunnen verkrijgen. Deputaten van de gereformeerde kerken in Nederland werden van deze regeeringsbeslissing in kennis gesteld8); wenschte deze in Nederland ook als rechtspersoon erkende gezindte zich voor Indië niet te bedienen van hulpmiddelen, gelijk in Nederland door het stichten vaneen „kerkelijke kas" wel waren aangewend8), dan bleef dus erkenning overeenkomstig het koninklijk besluit van 1870 de eenigste uitweg. Men heeft in de lste kamer wel eens aangedrongen op de invoering van een wet op de kerkgenootschappen voor Indië gelijk aan die van 1853 (Ned. Stb. 1853, no. 102) voor Nederland, als middel om tot een meer bevredigende regeling te komen4), doch de regeering stond op het standpunt, dat invoering van een dergelijke wet

1) Vgl. de reeds vermelde nota betreffende art. 122 regeeringsreglement (bijlage 5 van het rapport der staatscommissie van 1910), blz. 6.

2) Zie Dr. H. H. Kuyper, Nota enz., blzz. 8—9.

8) Zie daarover Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Nota over de rechtsbevoegdheid der kerken, Rechtsgeleerd Magazijn 1893, blzz. 106—107.

4) Handelingen 1909—1910, lste kamer, blz. 131.