is toegevoegd aan uw favorieten.

Onderzoek naar de moeilijkheden ondervonden bij de uitvoering van openbare werken in Nederlandsch-Indië door tusschenkomst van aannemers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens de gedetailleerde analyse van kosten als bijlage 7 aantoont heeft dit zand gekost gld. 3.85 per MA afgescheiden van de kosten van de geul, dus gld. 2.50 per M8. meer dan de eenheidsprijs van gld. 1.35 in de begrooting van de Directie, zoodat hier meer betaald moest worden gld. 37.540.—, zooals in post II van de begrooting is opgenomen.

Maar feitelijk hebben èn de geul èn het zand meer gekost en wel door twee oorzaken.

De eene oorzaak is, dat de in de bovengenoemde bijlage vervatte cijfers werden vastgesteld toen de loop van het werk kon worden overzien en speciaal voor wat betreft het onderhoud is geraamd.

Door de hooge zeeën waren de reparaties echter buitengewoon en werd het werkelijk betaalde voor onderhoud gld. 16.380.— hooger dan was geraamd, zooals in post II van de begrooting nader is gespecificeerd.

De tweede oorzaak ligt in de groote kosten van drinkwater en water voor de stoomketels, dat van Semarang met bakken moest worden aangevoerd en volgens de specificatie in post II der begrooting gld. 7310.— had gekost. '

Het werk aan de Kali Bodri was in Juni 1912 aangevangen en reeds spoedig bleek het bezwaarlijk om het benoodigde water yan Semarang aan te voeren.

In Juli 1912 werd daarom het verzoek gericht aan het Departement van de Gouvernementsbedrijven om aan de Kali Bodri drinkwaterputten te boren.

De inwilliging van dit verzoek kwam eerst in Juni 1913 dus bijna een jaar na de aanvraag af, toen reeds niet meer aan de Kali Bodri werd gewerkt.

De opgaaf van de verwerkte hoeveelheden loopt tot 23 November 1912.

In den nacht van 22 op 23 November liep bij een hevigen bandjir de geheele geul vol modder (zie bijlage 8). De baggermachine „Merapi" kon slechts met zeer veel moeite gered en naar Semarang getransporteerd worden.

Er was geen sprake van dit werk opnieuw op te vatten vóór den Oost-moesson en zoo zoude alweder het werk moeten stil liggen, wanneer geen ander zand kon worden gevonden.

Van de zijde der Directie werd wel beweerd, dat zand te krijgen was, maar een plaats kon zij niet aanwijzen.

Zij grondde die bewering o. a. op -het feit, dat de Spoorwegmaatschappij wekelijks 2400 M8. zand te Semarang ontving, maar bij onderzoek bleek dit onjuist; die hoeveelheid bedroeg niet meer dan 200 M8. en dan nog zand met 30 % slib, zoogenaamde tuinaarde.

Op voorstel der Directie werd opnieuw een onderzoek ingesteld in het Wester Bandjir Kanaal, daar werd echter niet meer dan een laag van 0.50 M. gevonden vol met wortels. Een eveneens op voorstel van de Directie ingesteld onderzoek te Djarakka leverde ook een negatief resultaat; er werd toen op aandrang van de Directie wederom getracht door Chineezen zand te doen aanvoeren, ook deze proef liep uit op een algeheele mislukkjng.

Het gelukte een hoeveelheid van 2400 M8. benoodigd voor den caissonbouw aangevoerd te krijgen door de Semarang—Cheribon Stoomtram, welk zand gld. 3.70 per M8. kostte. Er bleef dus niets anders over dan te wachten tot het weder het toeliet om het werk aan de Kali Bodri te hervatten.

Intusschen kreeg ondergeteekende groote moeielijkheden met den onderaannemer van de hangars en entrepots, die 12 September 1912 personeel had uitgezonden om deze te stellen; hiervoor moesten echter de caissons geplaatst zijn, benevens de steunpunten van die hangars worden gebouwd. Op 25 Januari 1913 kon de eerste caisson worden gesteld, maar het maken van steunpunten leverde groote moeielijkheden op, daar ondergeteekende op 26 Januari 1913 van de Directie nog niet de maten had ontvangen van het daarvoor noodige ijzer, dat in Nederland moest besteld worden; indien het werk niet wegens het zand was opgehouden, zou het uit dezen hoofde vele maanden oponthoud ondervonden hebben.

Den 24sten Maart 1913 kon met het oog op het weder het werk aan de Kali Bodri weder worden aangevangen en ging de baggermolen „Merapi" daarheen. Die moest aanvangen de bij den bandjir van 23 November 1912 dicht geloopen geul weer open te baggeren.