is toegevoegd aan uw favorieten.

Gewijzigd Ontwerp C, tot uitvoering der voorgenomen herziening van de agrarische verordeningen voor de Gouvernementslanden op Java en Madoera

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 6. (1) Behoudens het bepaalde bij de artikelen 5 en 7, kan voor afstand of ingebruikgeving vatbaar gebleken grond, onafhankelijk van zijne ligging en de aan den grond te geven bestemming, in perceelen van ten hoogste vijf hectaren, op aanvraag, ondershands in eigendom worden afgestaan.

(2) Mét het recht van erfpacht wordt geen grond uitgegeven dan tot uitoefening van den land- of tuinbouw en de veeteelt, zoomede tot andere doeleinden, welke, ter beoordeeling van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur, de beschikking vereischen over eene aanzienlijke uitgestrektheid grond.

Alinea 1. In aansluiting bij de aanteekeningen in het Ontwerp A en bij artikel 6 van het Ontwerp B doet deze alinea uitkomen, dat de factoren „ligging" en „bestemming" van den grond bij de beoordeeling van de vatbaarheid tot afstand van in eigendom aangevraagde perceelen buiten beschouwing blijven.

Bijgevolg zullen stukken grond, welke overigens voor afstand of uitgifte in aanmerking kunnen komen, op aanvraag in eigendom kunnen worden afgestaan, ongeacht waar de grond gelegen is en onverschillig welke bestemming de aanvrager daaraan verlangt te geven.

Op dien regel wordt, afgezien van hetgeen bij artikel 5 is bepaald omtrent den openbaren verkoop van op hoofdplaatsen gelegen grond, slechts inbreuk gemaakt door artikel 7, voorschrijvende dat, indien de in eigendom begeerde grond deel uitmaakt van „b o u w v e 1 d e n", als bedoeld in artikel 3, wèl rekening zal moeten worden gehouden met de bestemming, in dien zin dat dergelijke grond alleen tot oprichting of ten behoeve eener inrichting van fabrieksnijverheid met dien titel wordt afgestaan.

Het vorenstaande geldt, ingevolge de tweede alinea van artikel 6 van het Ontwerp B, mede voor de uitgifte van grond met een anderen titel dan eigendom, behoudens het hieronder vermelde omtrent de toekenning van bet recht van erfpacht.

Daaruit volgt, dat bouwvelden, als zooeven bedoeld, voor het aangeduid doeleinde niet uitsluitend in eigendom, doch — desverkiezende — bijv. ook met het recht van opstal verkrijgbaar zijn.

Deze gedragslijn biedt, bij vergelijking met de thans gevolgde, meter dan een voordeel aan.

Vooreerst zal zij tot vereenvoudiging in de behandeling van grondaanvragen kunnen leiden, wijl zij in verreweg de meeste gevallen de bestemming, welke de aanvrager beweert aan den grond te zullen geven, als factor van overweging uitsluit en alleen vordert daarmede rekening te houden, indien het verzoek betrekking heeft op buiten hoofdplaatsen gelegen bouwvelden, door de Inlandsche bezitters met prijsgeving hunner rechten ten behoeve van niet-Inlanders verlaten.

Het behoud van genoemden factor voor die gevallen zal echter in den regel geene onzekerheid en daaruit voortvloeiende verwikkelingen behoeven te veroorzaken en vermits ook overigens de aanbevolen behandelingswijze eene veel beslistere zou zijn dan de bestaande, immers op meer objectieven grondslag zou steunen en derhalve beter zou waarborgen de handhaving der vooral in deze zoo onmisbare continuïteit, al ware