is toegevoegd aan uw favorieten.

Hervorming van het staatsspoorwegbedrijf in Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de Kamer werd het vraagstuk bij de behandeling van de Indische begrooting voor 1911 en 1912 uitvoerig door Dr. Bos besproken, en de autonomie van Indische bedrijven vooral aanbevolen als maatregel van decentralisatie en tot bevordering van het toevloeien van kapitaal naar de Koloniën; hij vond daarbij van verschillende sprekers (Van Lennep, Vliegen) steun. Ook bij de behandeling van het wetsontwerp tot nadere wijziging van de Indische Comptabiliteitswet werd hetzelfde onderwerp door Dr Bos ter sprake gebracht.

In de Eerste Kamer was het vooral Mr. F. S. van Nierop, die zich op gronden, ontleend aan het algemeen financiëel beleid, voor de zaak interesseerde en. zonder zich bepaald ten gunste daarvan uit te spreken, den Minister van Koloniën herhaaldelijk aanbeval om een grondig onderzoek te doen instellen naar de mogelijkheid en de voordeelen eener reorganisatie van de Staatsspoorwegen in den bedoelden zin.

Ook in de litteratuur was de „bedrijfszelfstandigheid" in de laatste jaren veelvuldig het onderwerp van beschouwingen, bijna altijd in daarvoor gunstigen zin.

Deze veelzijdige aandrang, volgende op dien naar eene verbetering van boekhouding en begrooting, was daarvan een natuurlijk uitvloeisel, en lag geheel in de lijn van de daartoe strekkende maatregelen. Aan die maatregelen lag toch de fictie ten grondslag, dat het bedrijf is een lichaam met eigen vermogen, dat met den Staat in geldelijke verrekening staat. Bij de invoering van de afzonderlijke, in zich sluitende begrootingen, was het zelfs al niet meer geheel een fictie; wie met aandacht in de vakliteratuur de beschouwingen heeft gevolgd, aan de beteekenis der „budgets annexes" gehecht, moet onvermijdelijk den indruk hebben gekregen, dat daarin meer dan een bloote vormkwestie ligt, maar een bepaalde afscheiding van het bedrijfsvermogen, de schepping dus van een zoogenaamde „vermogenspersoon". Die diepere beteekenis verklaart, waarom over de invoering der Bedrijvenwet nog zooveel te doen is geweest; en opvallend was het ook, dat aan de toepassing van die wet op verschillende bedrijven in Nederland gepaard zijn gegaan — als ware het een natuurlijk uitvloeisel daarvan — maatregelen die niet den vorm maar het werkelijke beheer raakten, zooals bijv. de bestuursregeling van de Artillerie-inrichtingen.

Iets fonkelnieuws mag het denkbeeld der autonomie van door het openbaar gezag ingestelde bedrijven overigens niet genoemd worden. Er bestaat reeds sinds lang eene categorie van zoodanige bedrijven, die reeds bij hunne instelling als rechtspersoon zijn georganiseerd. Dit zijn voornamelijk geldelijke instellingen, zooals:

gemeentelijke spaarbanken en banken van leening,

de postspaarbanken in Nederland en Indië,

de Rijksverzekeringbank,

de Consignatiekas, en dergelijke.

Ook de in 1911 opgerichte Centrale Kas voor het Volkscredietwezen in Indië is daartoe te rekenen. *)

*) Het is bekend, dat niet voor al deze instellingen de rechtspersoonlijkheid voldoende duidelijk in de grondregelen is vastgesteld en dat zij met name voor de Rijkspostspaarbank in rechte wel eens is ontkend. Dit kan echter slechts aan de gebrekkige redactie dier grondregelen worden geweten. Afgezien daarvan wijzen die regelen (evenals die van de Indische Postspaarbank, waarvan de vorm nog gebrekkiger is) ongetwijfeld op de besliste bedoeling om die instellingen als zelfstandig rechts- en vermogenslichaam te beschouwen en te doen werken.