is toegevoegd aan uw favorieten.

De varianten van Vondel's Palamedes

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tische neiging werd toegeschreven aan den Protestantschen geestelijken heer Jacobus Trigland. Zie b.v. Kakastorie vs. 20, waar hij als Kalkoentjen, aarts-bacchant wordt aangeduid. Kalkoentje is hier een toespeling op zijn roode kleur, een gevolg van zijn drankzucht. Zie ook Rommel-Pot van 't Hanekot, waar in 't 1 lde couplet ook van het Kalkoense haantje wordt gesproken; met, in de Amersf. uitg. onder aan de blz. deze notitie: Jakobus Triglandius, zoo genoemt om zijn roodt aangezigt. Zelfs vereerde Vondel hem tweemaal met een speciaal gedicht Op Haan Kalkoen, waarvan het eerste aanvangt:

Wie zag oit gekken zonder bel?

Kalkoentjen is wat root van vel

En zuiver Geus,

Omdat de Rynsche muskadel

Met al het zuiver nat

Van 't Heidelbergsche vat,

Trekt in zijn' neus,

En daarom buldert hij zoo fel,

Als Goliath de Reus.

Wij achten 't boert, en kinderspel,

Bij dronk is hij wat beus,

Maar nuchteren wonder geus

Bachant hadt gij enz.

Bewijzen te over, dat Vondel dezen Jacobus niet voor den waren Jacob hield. Hij was de eenige niet. Dr. Coster chargeerde hem in Eurypilus (in zijn Iphigenia):

Waar in vers 1511 gezegd wordt, dat Calches van zijn vader leerde deftigh klappen, maar dit in de 2de lezing wordt veranderd in buldren, trappen, daar is dit wellicht op te vatten als een voelbaarder, een meer gedurfde toespeling op Bogerman, den plompen bulderaar, dien de dichter elders „Dordrechts grootsten olifant" noemde en dien hij zoo vaak en zoo vinnig met zijn grimmigen spot heeft vervolgd. (Zie b.v. de gedichten: Op Simon Episcopius regel 5; Decretum Horrebile, Kakastori, Kragtelooze Papenblixem,