is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kloppen deed. Ook zegt het oud verhaal, Dat de ether trilde van den blijden zang Der legioenen Geesten, die, naar Oost En West zich wendend, in den nacht een licht, En noord- en zuidwaarts zwevend, vreugdegloed Op aarde ontvonkten. Aan de poort verscheen Het viertal Hemelvorsten, met hun heir Van lichtende eng'len in den wapendos Van zilver, goud, saffier en parelmoer,

Om twee aan twee en hand aan hand den Prins Te ontvangen, die daar stond, het vochtig oog Omhoog geslagen, om den dichten mond 't Onwrikbaar plan op godd'lijk liefdewerk.

Toen ging hij in het duister voort en riep: „Chanda! sta op, en breng mij Kanthaka!"

„Wat wenscht mijn Heer? te rijden in den nacht, Als alles donker is?" vroeg aan de deur Der poort de wagenmenner, half ontwaakt.

„Zacht!" sprak Siddhartha, „breng mijn paard ! Geslagen is het uur, waarin mijn hart,

Naar waarheid dorstend, aan de gulden kooi Ontsnapt. Voortaan, om aller menschen wil,

Zoek ik slechts licht!"

„Ach, Prins!" klonk 's dienaars woord, „Is 't dan niet waar, wat heil'ge en wijze liên, In sterren lezend, meldden van een tijd,

Waarin de zoon van vorst Quddhodana, Der heeren Heer, een Wereld richten zal?