is toegevoegd aan uw favorieten.

Het licht van Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds lange schaduw wierp. Zoodra men zag, Hoe Buddha 't lam droeg, week de wacht terug; Het marktvolk trok de karren aan den kant; Die kochten en verkochten hielden op Met redetwisten om 't tooneel te zien;

De smid, zijn hamer in de hand omhoog,

Vergat den slag, de wever 't weefgetouw, De schrijver 't perkament; den wisselaar Ontging het aantal cowries; Qiwa's rund At zonder toezicht van de rijst; de melk Vloeide over, onderwijl de melker 't oog Gericht hield op des Prinsen zachten tred En op zijn houding, zoo vol majesteit.

Vooral de vrouwen kwamen in de deur En vroegen: „Wie is deze, die zoo schoon, Zoo vreedzaam, zoo bevallig 't offer brengt? Uit welke kaste is hij? Wat teed're blik! 't Is toch niet Qakra zelf, de Dewaraj ?"

Weer and'reri zeiden: „'t Is een heilig man, Die op den heuvel bij de Rishi's woont!"

Maar Buddha ging, verzonken in gepeins, En dacht: „Hoe menig schaap is herderloos En doolt in 't nacht'lijk duister zonder gids En blaat onwetend 't doodsuur tegemoet,

Als dit onnoozel vee, der menschen beeld!"

Toen werd den Koning aangezegd: „Er komt, Aan 't hoofd der kudde, die gij u ontboodt Voor de offerande, een heilige 'eremiet."

De Koning stond in de ofFerzaal gereed,