is toegevoegd aan uw favorieten.

Zielsverwanten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de begrafenis van het geliefde overschot. De majoor en Mittler stonden haar bij. Eduard's toestand was beklagenswaardig. Zoodra hij zich maar eenigszins uit zijn vertwijfeling opheffen en zich bezinnen kon, stond hij er op dat Ottilie niet buiten het kasteel gebracht zou worden; zij moest bewaakt, verpleegd, als een levende behandeld worden; want zij was niet dood, zij kon niet dood zijn. Men gaf hem zijn zin in zoover dat men althans achterwege liet wat hij verboden had. Hij verlangde niet haar te zien.

Nog een andere schrik overviel den vrienden, nog een andere zorg hield hen bezig. Nanny, door den arts streng berispt, door dreigementen tot een bekentenis gedwongen en na haar bekentenis met verwijten overstelpt, was ontvlucht. Na lang zoeken vond men haar terug; zij scheen buiten zichzelf te zijn. Haar ouders namen haar weer tot zich; de liefderijkste behandeling scheen geen vat op haar te hebben; men moest haar opsluiten omdat zij opnieuw dreigde te zullen ontvluchten.

Trapsgewijs gelukte het, Eduard aan de heftigste vertwijfeling te ontrukken; doch slechts tot zijn ongeluk: want het was hem klaar geworden, het was voor hem zeker, dat hij het geluk van zijn leven voor altijd had verloren. Men waagde het hem voor te houden dat Ottilie, in de kapel bijgezet, toch ook altijd onder de levenden blijven en een vriendelijke, stille woning niet ontberen zou. Het viel moeilijk zijn toestemming te verkrijgen en slechts onder voorwaarde dat zij in open kist uitgedragen en in het gewelf in elk geval slechts met een glazen deksel zou worden bedekt en dat haar een eeuwig brandende lamp gewijd zou worden, liet hij zich ten slotte overreden en scheen hij zich bij alles te hebben neergelegd.

Men kleedde het lieflijke lichaam in den tooi dien zij zelf had klaargemaakt; op het hoofd zette men haar een krans van asters, welke geheimzinnig glansden als droevende sterren. Om de baar, de kerk, de kapel te versieren werden alle tuinen van hun tooi beroofd. Zij lagen kaal als had de winter reeds alle blijheid der bedden uitgeroeid. Zeer vroeg