Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Onderwijs aan kinderen van biezondere aard.

Hieronder wordt verstaan 'tonderwijs aan:

1. zwakzinnigen;

2. blinden;

3. doofstommen;

4. slecht horenden;

5. spraakgebrekkigen;

6. kinderen, wier ouders geen vaste woonplaats hebben (schippers- en kramerskinderen);

7. kinderen, die zich niet kunnen aanpassen aan de in 't algemeen geldende schooltucht.

De regeling biervan beruste op de volgende grondslagen:

A. Het Rijk en de gemeente zorgen \ voor een voldoend aantal inrichtingen,

waarin onderwijs wordt gegeven aan blinden, doofstommen, zwakzinnigen, spraakgebrekkigen en schippers- en kramerskinderen en voor de onder 7 aangegeven kinderen. Deze inrichtingen zijn toegankelik voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid.

B. a. De scholen voor blinden en doorstommen en voor de onder genoemden zijn internaten, die echter onder zekere voorwaarden ook voor externe leerlingen toegankelik zijn.

De onderwijsinrichtingen voor zwakzinnigen zijn als regel aparte dagscholen, maar kunnen ook, waar en wanneer dit nodig blijkt, als internaten worden ingericht.

In kleine plaatsen, d.w.z. daar waar het aantal leerlingen te gering is voor een volledige school, worden aan gewone lagere scholen aparte klassen verbonden, bestemd voor zwakzinnige leerlingen.

c. Voor kinderen, die lijden aan een of ander spraakgebrek, zonder daarbij tot de verstandelik minderwaardigen te behoren, wordèn inrichtingen in het leven geroepen, waar deze kinderen gedurende zekere tijd onderwijs ontvangen in het methodies spreken enz. Deze kinderen ontvangen verder lager onderwijs op de gewone scholen.

d. Ten behoeve van schippers- en kramerskinderen treffe de Staat een regeling, ten gevolge waarvan 't mogelik wordt, dat

Sluiten