Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. Van de schoolgebouwen.

Koninklijk Besluit van 25 Junie 1912.

Van lokalen, te stichten of in gebruik te nemen Oom openbaar Lager Onderwijs.

Art. 1. Bij bet bestek voor de bouw ener school legt het gemeentebestuur aan de distriksschoolopziener over:

le. een uittreksel uit de kadastrale kaart binnen een kring van 200 M. straal rondom het terrein, aanwijzende het perceel met zijn naaste belendingen, zomede de binnen die kring gelegen inrichtingen, bedoeld in art. 2 der Hinderwet;

2e. tekeningen van de plattegrond, de doorsneden en het uitwendigG op de schaal van 1 tot 100, zomede een tekening op de schaal van 1 tot 200, aangevende het schoolterrein en de ligging van het schoolgebouw ten opzichte van de windstreken;

3e. een uitgewerkte begroting der kosten.

Ingeval van verbouwing of uitbreiding ener school is de overlegging der onder 2e en 3e omschreven stukken voldoende.

s

Art. 2. De nabijheid binnen de in artikel 1 aangewezen kring van inrichtingen en plaatsen, nadelig voor de gezondheid of belemmerend voor het onder, wijs, wordt bij het stichten van een school vermeden.

Laat het beschikbare terrein dit toe, dan wordt het schoolgebouw opgericht vrij van andere gebouwen

Art. 3. Waar ophoging van het terrein, waarop het schoolgebouw wordt gesticht, vereist wordt om het gebouw watervrij te maken, heeft die ophoging plaats tot ten minste 0.5 M. boven de hoogste waterstand der omgeving.

De bovenkant van de vloer van de begane grond moet ten minste 0.2 M. hoger liggen dan het hoogste punt van het aansluitend terrein.

Art. 4. Er is binnenshuis geen gemeenschap tussen schoolgebouw en een voor woning bestemde lokaliteit.

Wensen* van de Bond.

Van lokalen, te stichten of in gebruik te nemen Hoer Lager Onderwijs.

Art. 1. Bij het bestek voor de bouw, de verbouwing of de uitbreiding ener school, legt het gemeente- of schoolbestuur aan de distriksschoolopziener over:

le. (hetzelfde).

2e. (hetzelfde).

3e. (hetzelfde).

Art. 2. (le alinea gelijk).

Het schoolgebouw wordt opgericht vrij van andere gebouwen. Art. 3. (Hetzelfde).

Art. 4. Het schoolgebouw bevat, behalve de nodige klasselokalen: een speelplaats, een lokaal voor 't handwerkonderwijs, een badlokaal en een onderwijzerskamer. Bij elke school bevindt zich een afzonderlik gebouw voor 't onderwijs in gymnastiek en spel, een speelplaats met tenminste 5 M' ruimte voor elk kind met een minimum van 500 M' en een schooltuin.

Art. 5. Elk schoolvertrek wordt voor niet meer dan 56 leerlingen bestemd.

Art. 6. De vloeroppervlakte van elk schoolvertrek bedraagt ten minste 0.8 M' voor iedere leerling. De lichamelike inhoud van elk schoolvertrek bedraagt ten minste 3.6 M* voor iedere leerling.

De hoogte tussen de vloer en de zoldering bedraagt tenminste 4.5 M.

Art. 5. Elk schoolvertrek wordt voor niet meer dan 30 leerlingen bestemd.

Art. 6. De vloeroppervlakte van elk schoolvertrek bedraagt tenminste 1.3 M' voor iedere leerling. De lichamelike inhoud van elk schoolvertrek bedraagt ten minste 5.8 M* voor iedere leerling.

De hoogte tussen de vloer en de zoldering bedraagt ten minste 4.5 M.

Sluiten