Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mag op grond van het vorenstaande eene raming van "den omvang van het bedrijf der buitenlandsche maatschappijen hier te lande naar het ons voorkomt niet steunen op de gegevens ontleend aan de „Statistiek der Rijksinkomsten", zij zou, waar het belasting-object voor de buitenlandsche en binnenlandsche ondernemingen verschillend is, bovendien zeer zeker onjuist zijn.

De buitenlandsche verzekeraars betaalden belasting over 10 pet. van de premie-ontvangst, de binnenlandsche maatschappijen daarentegen over hare uitdeelingen.

Nu stemt echter de fictie „10 pot. van de premie-ontvangst staat vrijwel gelijk met de uitdeelingen" allerminst met de werkelijkheid overeen.

Blijkens de „Jaarcijfers van Levensverzekering-Maatschappijen en Begrafenisfondsen 1911—1915" van W. "Wiebes, ontvingen de 96 in de Eerste Groep opgenomen Maatschappijen in 1913 aan premiën en koopsommen f 45.935.000.— alzoo reeds bijna driemaal zooveel als alle 417 buitenlandsche assuradeuren in alle mogelijke branches te zamen met hun premie-inkomen van /' 16.895.000.—.

Hadden die 96 maatschappijen belasting moeten betalen over 10 pet. van de premie-ontvangst, dan zou haar belastbaar inkomen zijn geweest f 4.593.500.— terwijl tabel XXIII-der Statistiek van de Rijksinkomsten voor de 82 levensverzekering-maatschappijen slechts aangeeft een belastbaar inkomen van f 1.782.018.—.

De evengenoemde fictie stemt niet met de werkelijkheid overeen, de belastbare uitdeelingen der maatschappijen van levensverzekering blijven verre beneden de 10 pet. van hare premie-ontvangst.

Wij kwamen op grond van het bovenstaande tot de overtuiging, dat de omvang van het bedrijf der buitenlandsche maatschappijen in geen geval kan worden afgeleid uit de vermelde fiscale gegevens en dat de beteekenis van dien omvang daardoor zeer is overschat.

Tot staving van de meening, dat de Nederlandsche levensverzekeringmaatschappijen in het buitenland heel wat minder bereiken, dan de buitenlandsche maatschappijen hier te lande, werden ons geen cijfers overgelegd. Wij begrijpen, dat hiervoor slechts vermoedens konden worden aangevoerd, daar slechts enkele maatschappijen in hare jaarverslagen eene splitsing van haar bedrijf, in verband met het arbeidsveld, aangeven.

In de op 12 April 1917 gehouden zitting van de Eerste Kamer der Staten-Generaal is door Uwe Excellentie medegedeeld, dat Uw vermoeden steunde op de omstandigheid, dat verschillende wetgevingen het voor onze assurantie-maatschappijen vrijwel onmogelijk maken om in het buitenland te werken en dat zulks vooral gold voor Duitschland en Frankrijk.

Nader werd ons medegedeeld, dat daarbij gedoeld werd op de belemmerende bepalingen in die beide landen vastgesteld, die enkele Nederlandsche maatschappijen deden besluiten zich daaruit terug te trekken, voornamelijk omdat zij, zooals U veronderstelde, verplicht werden hare reserves in Duitsche of Pransche Staatsfondsen te beleggen.

Naar aanleiding van deze vermoedens meenen wij enkele opmerkingen te moeten maken.

Inderdaad hebben enkele maatschappijen zich uit die twee landen teruggetrokken, doch het waren, op weinige uitzonderingen na, die maatschappijen, welke nog weinig omvangrijke portefeuilles hadden. Tegen het werken in Duitschland bestond het bezwaar, dat het „Aufsichtsamt" eischte, dat het geheele, ook het me<-Duitsche bedrijf, naar zijn opvattingen moest worden geregeld. In Frankrijk werkte belemmerend het feit, dat de maatschappijen niet meer vrij werden gelaten in de vaststelling harer tarieven, in veel geringer mate de bepalingen omtrent de belegging der reserves, omdat men voor de belegging der reserve slechts gedeeltelijk op Fransche fondsen is aangewezen. Voor een deel kan men ook buitenlandsche fondsen deponeeren, voor een ander deel in vaste goederen beleggen of naar verkiezing een en ander door grossen van hypotheken vervangen.

Doch al trokken ook enkele maatschappijen zich terug, zulks neemt niet weg, dat er nog wel Nederlandsche maatschappijen te noemen zijn, die een niet onbeteekenend bedrijf in die landen voeren. Doch ook op andere terreinen dient te worden gelet en wij vestigen er

Sluiten