Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar te supprimeeren en het effect daarvan toe te kennen aan het Koninklijk Besluit, dat het steenkool-terrein aanduidt, hetwelk ontgonnen zal worden, brengt men verwarring in de algemeene samenstelling van het stelsel en stelt een nieuw recht in de plaats van dat hetwelk men beweert te willen toepassen.

De eigenaardige opvatting, die bij de uitwerking van artikel 1 van de Wet heeft voorgezeten, blijkt ook nog uit de gevolgen, die aan deze akte \>an aanwijzing worden toegeschreven:

1°. Wanneer dit artikel voorschrijft; dat door deze aanwijzing, als ware voor de ontginning volgens de Wet van 21 April 1810 concessie verleend, voor den Staat de eigendom van de mijn verkregen wordt, zoo ontmoeten wij hier eene klaarblijkelijke verwarring van begrippen omtrent het juridische effect van de akte van concessie.

Immers, volgens de wet van 1810 wordt geen concessie „voor de ontginning" verleend; maar wel den eeuwigdurenden eigendom van de mijnen, die zich binnen de aangegeven omgrenzing bevinden. Het recht om de mijn te ontginnen ontstaat uit het recht van gebruik, dat aan het eigendomsrecht verbonden is.

2°. Aangezien de eigendom der steenkool-terreinen die, volgens artikel 1 , voor den Staat gereserveerd werden, eerst door hem ook verworven zullen worden, naar gelang bij Koninklijk besluit successievelijk de te ontginnen mijnen zullen worden aangewezen, zoo rijst de vraag, welke, uit een rechts-oogpunt beschouwd, de situatie is van de binnen de aangegeven omgrenzing liggende mijnen, die nog niet aangewezen zijn? Ten haren opzichte toch bestaat geene akte van concessie, of iets wat in de plaats daarvan zou kunnen worden gesteld en die de oppervlakte van den benedengrond scheidt of die deze vrij maakt van de door de grondeigenaren en ontdekkers geeischte of verkregen

Sluiten