is toegevoegd aan uw favorieten.

Grondwetschennis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zijn daarom van meening, dat de schadevergoeding, waarin de Staat toestemt om de betaling er

Belgisch standpunt plaatst, en 2°. dat hij zich in dit geval niet voldoende in Nederlandsche toestanden kan verplaatsen, wat hem niet kwalijk te nemen is.

In België heeft de Mijnwet van 1810, in het jaar 1837, eene belangrijke wijziging ondergaan, terwijl ze bij ons bleef zooals ze oorspronkelijk afgekondigd werd. B^j de in 1837 in België plaats gehad hebbende wijziging werd aan den grond-eigenaar weder grootere voorrechten toegekend, dan de Wet van 1810 geeft en werd de ontdekker bij dezen meer achtergesteld. De wet van 1810 heeft tot hoofddoel gehad de in Frankrijk geheel ter neder liggende mijnbouwindustrie uit haar verval op te heffen, om dus zooveel mogelijk tot opsporingen aan te moedigen. Ze kon dat alleen dus doen, door aan de ontdekkers rechten en voordeelen toe te kennen. Het volgens art. 552 C.c. den grondeigenaren toekomende opsporingsrecht wilde de wet wel zooveel mogelijk eerbiedigen, maar de eigenaar moest er dan ook gebruik van maken en de eventueel aanwezige delfstofafzettingen ook werkelijk opsporen. Deed hij dat niet en wilde hij ook anderen daartoe niet de vergunning verleenen op zijnen grond, dan kon de Regeering daartoe autorisatie geven, tegen vergoeding van de aan te richten schade aan den eigenaar van den grond. Werden deze opspoorders ontdekkers, dan zou hun arbeid beloond worden, dan zou de Regeering er voor zorgen, dat hunne pogingen tot haar recht kwamen en daartoe diende art. 16, dat bij ons onveranderd is blijven bestaan.

De schrijver heeft, naar het schijnt, niet voldoende begrepen, dat de Regeering hier eene volkomen onjuiste opvatting van de zaak toonde, door aan te nemen, dat de Mijnwet van 1810 slechts ééne soort van schadevergoeding kende, n.1. die bij art. 16 bedoeld werd en dat zij de strekking van dat artikel nog buitendien verkeerd uitlegde, door aan te nemen, dat die bij art. 16 bedoelde schadevergoeding was eene vergoeding voor gemaakte kosten. Wat de bedoeling van de hier bij art. 16 voorgeschreven schadevergoeding is, heeft de Pransche Regeering getoond — en een betere uitlegger van die Pransehe Wet bestaat er toch wel niet — toen ze in 1825 aan de Maatschappij Thonneliek, de ontdekkers van de steenzoutafzettingen die de Staat zelf wenschte te exploiteeren, de som van twee