Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van op zich te nemen, niet behoort tot het speciale mijnrecht, maar wel tot artikel 46 van de Wet van

niillioen francs uitkeerde. In de betreffende akte van concessie lezen wij: Het recht den ontdekkers, bij art. 16 van de wet van 21 April 1810, toegekend wordt geregeld op twee millioen francs, onafhankelijk van de terugbetaling voor gemaakte kosten, die zij uitgegeven hebben voor het opsporen van hst steenzout en voor de werken die bestonden op het tijdstip dat de concessie verleend werd. Zeer juist zeide dan ook de Heer de Savornin Lohman o. a. het volgende tijdens de discussies ovei' deze Wet in de Kamer: „Mijnheer de Voorzitter! Ik heb met eenige verwondering de laatste argumentatie gehoord van den Minister van „Waterstaat.

„De Minister toch zegt: volgens art. 16 is er geen indemniteit. „Wat indemniteit is, zal eerst afhangen van de Regeering, die zeggen „moet, waaruit de indemniteit zal bestaan. Doch dit is niet zoo.

„Indemniteit is een begrip op zich zelf. Het is een vergoeding „voor de schade die men geleden heeft. Het is volkomen onverschillig wie de indemniteit vaststelt: de indemniteit is daarvan „onafhankelijk.

„De Minister die altijd gewend is geweest om met maten om te „gaan, kan niet begrijpen, dat een rechter dikwijls moet oordeelen „zonder dat de maatstaf, waarnaar hij te oordeelen heeft, in de „Wet ligt. Dit gebeurt toch honderde malen. Hij moet de zaak zelf „onderzoeken, om te weten hoe hij moet komen tot het bepalen der „schadeloosstelling.

„Ik kan dus niet begrijpen, hoe men kan zeggen: wanneer men „verwijst naar art. 16, verwijst men eigenlijk naar niets.

„Indien dat zoo is, dan was het reeds zoo ook vóór deze Wet tot „stand komt. Dan is art. 16 volmaakt onbeduidend. Maar dit is zoo „niet, want het zegt niet, dat de belanghebbende zal ontvangen wat „de Minister goed vindt te geven, maar datgene wat deze hem moet „geven als indemniteit."

En ofschoon de Heer de Savornin Lohman, even als de Minister, ten onrechte aannam, dat de bij art. 16 bedoelde schadevergoeding er eene was voor gemaakte kosten, zoo zijn die door hem geuite woorden toch geheel in overeenstemming met het hierboven geciteerde uit art. 4 van de akte van concessie van 1825, waar gesproken wordt van het den ontdekkers bij art. 16 van de Mijnwet van 1810 toegekende recht. R. V.

Sluiten