Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zouden hebben, wanneer de Regeering later hun de concessie niet toewees. De Minister nochtans meende, dat door dit middel het doen van onderzoekingen, door particulieren, niet zou worden belet, want men achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat zelfs het vooruitzicht van geen schadeloosstelling te ontvangen, het doen van speculatieve boringen niet zou voorkomen. Zulk een maatregel zou ook onbillijk kunnen schijnen, wanneer, bij het verleenen van concessie aan particulieren, deze aan eenen ander dan den ontdekker werd toegewezen.

De Minister was het ook niet eens met het door den Mijnraad gegeven advies, om de ontzegging van vergoeding voor onderzoekingen over geheel Nederland toe te passen en zoo mogelijk ten aanzien van alle mineralen. Het was niet de bedoeling, om heel Nederland mijnbouwkundig te gaan onderzoeken. Volgens het beoogde, op de voorgestelde wijze geschiedende, exploratie-plan, wilde men in Noordelijk Limburg aanvangen en, naar gelang van de daarbij gemaakte observaties, meer of minder in Noordelijke en Westelijke richting doorwerken. In het verslag van Dr. Beijerinck werd n.1. de mogelijkheid verondersteld, dat de steenkoolbeddingen zich op ontginbare diepte naar het Westen, in Noord-Brabant, tot de Peel zullen uitstrekken en naar het Noorden, met niet onbelangrijke golvingen en ombuigingen, waarschijnlijk tot in Gelderland en Overijssel. De voor het onderzoek noodige tijd wordt op 5 tot 6 jaar begroot en met meer of minder groote zekerheid hoopte men dan de aanwezigheid van steen en bruinkool, steenzout en kalizouten in het licht te kunnen stellen.

De kosten van het onderzoek waren niet nauwkeurig te ramen, maar men hoopte met ƒ 400.000 wel een dertigtal boringen te kunnen verrichten.

Op grond van die overwegingen acht de M. v. T. het noodig, dat wanneer de Staat in het bedoelde terrein het exploratie-werk onderneemt, de Vertegenwoordiging het

Sluiten