Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

autorisatie tot opsporen kan verleenen, wanneer de grondeigenaar zulks niet doet. *)

Zonder twijfel heeft dit ontwerp, zooals de Heer de S. L. zeide, de bedoeling om te verijdelen, dat de grondeigenaar, of een ander wettig explorant, ontdekker wordt en zoodoende het recht erlangt öf op de concessie óf op eene evenredige schadevergoeding. Maar juist omdat het dit beoogt, omdat het gevolg van deze Wet moet zijn, dat de grondeigenaar voor goed zijn exploratie-recht en de eventueel daaraan verbonden voordeelen verliest, daarom is ze in strijd met art. 151 aan de Grondwet, hetwelk verbiedt, dat iemand van zijn eigendom ontzet wordt, anders dan op de daar aangegeven voorwaarden. Dit exploratierecht is het eigendom van den grondeigenaar, het is een zakelijk recht en maakt deel uit van den eigendom van den grond. Er kan geen twijfel bestaan, of artikel 151 van de Grondwet moet hier van toepassing zijn.

De Heer de S. L. voerde nog een ander argument aan, dat men n.1. niet aan allerlei dilettanten de exploratie wilde overlaten, omdat zij dan minder goed zou geschieden. Dat dit, uit de Memorie van Toelichting ontleende, argument niet opgaat, heb ik bereids vermeld. Ik ben overtuigd, dat uit den boezem van de Kamer zelve hierop zou zijn gewezen, indien daar, evenals in den Belgischen Senaat, in dit opzicht deskundigen zitting hadden gehad.

Wanneer de Regeering opsporingen wil verrichten, dan belet niets haar dit te doen, maar zij doe dit dan in overeenstemming met de voorschriften van de Mijnwet van 1810. En wanneer ze dan niet in de gelegenheid wil komen om veel geld nutteloos uit te geven, om veel leergeld te betalen, dan roepe zij tot het uitvoeren van de noodige

1) De Pruisische Mijuwet van 1865 bepaalt, wat de Fransche Mijnwet van 1810 niet doet, dat de grondeigenaar liet doen van opsporingen door derden moet toestaan.

Sluiten