Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor zoover tot nu toe na te gaan worden b.v. de grenzen van het nieuw ontdekte kolenbekken in het Noorden van België aangegeven door de; uit een industrieel oogpunt als mislukt te beschouwen, boringen te Kessel, Hoesselt en Lanaeken.

Met de boring te Kessel werden geen koollagen aangeboord. Van 610 tot 650 M. beneden de oppervlakte trof men kolenkalk, het onderste lid van de steenkool-formatie, en stootte toen op gesteenten, die tot het Devonische tijdperk behooren en waarin dus geen koollagen te verwachten waren.

Te Hoesselt trof men eveneens geen koollagen aan. Op eene diepte van 191.70 M. stootte men bereids op gesteenten, die tot de Cambrische formatie behooren en die dus eveneens geen hoop meer gaven, om op grooter diepte nog steenkool aan te treffen.

Te Lanaeken bereikte men de steenkool-formatie en daarop het onderste lid er van, de kolenkalk, op eene diepte van 278 M. De eigenlijke steenkool-formatie was echter slechts enkele Meters dik en bestond alleen uit schi/fers die geen steenkoollagen bevatten.

Deze drie boringen, ofschoon uit een industrieel oogpunt als mislukt te beschouwen, zijn nochtans van zeer groot belang te achten, omdat die van Kessel en Lanaeken waarschijnlijk de zuidelijke grens van het kolenbekken aangeven. Terwijl die van Hoesselt de hoop verijdelde, dat het bekken van Luik in verbinding stond met dat var, de Kempen, toont die van Kessel aan, dat er weinig kans bestaat, dat het nieuw ontdekte Noordelijke bekken zich ook tot onder Antwerpen zal uitstrekken.

En hoe weinig zelfs de meest bevoegde deskundigen in dit opzicht met volkomen zekerheid hunne berekeningen kunnen maken, en hoe allerlei vooraf niet te voorziene accidenten daarbij ook een rol kunnen spelen, blijkt wel uit de eerste in België verrichte boringen.

Sluiten