Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strijken van dien termijn, zijne vordering in rechte doen gelden.

Artikel 5.

De eigenaren van grond gelegen hoven een, ingevolge liet tweede lid van art. 1 aangewezen mijn, hebben recht op uitkeering uit 's Rijks schatkist van ƒ 12.50 per H.A.

Artikel 6.

Hij, die eene uitkeering, als in art. 5 bedoeld, meent te kunnen vorderen, moet zich ter verkrijging daarvan, binnen één jaar na den datum van het Koninklijk besluit van aanwijzing, in art. 1 bedoeld, met overlegging van bewijsstukken tot staving van zijn recht, wenden tot Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, die hem, binnen zes maanden na dien termijn, kennis geeft of hij zich met de vordering, en tot welk bedrag, vereenigt.

Wordt aan den belanghebbende het bedrag, waarop hij aanspraak maakt, niet binnen zes maanden na dagteekening van de in het eerste lid voorgeschreven kennisgeving uitbetaald , zoo kan hij , binnen zes maanden na het verstrijken van dien termijn, zijne vordering in rechte doen gelden.

Artikel 7.

Met uitzondering van de bepalingen betreffende de uitkeeringen aan de schatkist en betreffende de mijnpolitie, alsmede van die, welke onderwerpen regelen, waarin bij deze wet is voorzien, is de wet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois N°. 285) op ontginning van steenkolenmijnen dooiden Staat toepasselijk.

De inrichting van den mijndienst wordt door Ons, den Raad van State gehoord, geregeld.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden

Sluiten