Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts het gevolg, dat deze bevoegdheid niet meer als uitzondering op het algemeene verbod mag worden geïnterpreteerd. In de praktijk zal deze bevoegdheid dientengevolge allicht iets ruimer worden, mits deze personen zorgen het bij artikel 17a verboden terrein niet te betreden.

Hetzelfde geldt ook voor de vrije beroepen, welke het terrein der geneeskunst naderen, als dat van de tandtechnici, pedicures, manicures, beoefenaars der heilgymnastiek enz.

Ten aanzien van de beroepsuitoefening der tandtechnici geldt nog in het algemeen voor de strafrechtelijke bemoeiing als leiddraad de resolutie van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 22 Maart 1871, n°. 201, waarbij ^s te kennen gegeven: „dat het vervaardigen en het inzetten van kunsttanden en -gebitten niet behoort tot de genees- of heelkunst en dus aan ieder vrijstaat, mits zij zich onthouden van het verrichten van heelkundige bewerkingen zooals het trekken of afvijlen van tanden enz." Of deze voorwaarde aan de beoefenaars der tandprothese niet een al te beperkte werkkring open laat en in de praktijk een anderen maatstaf van beoordeeling tengevolge heeft gehad dan b. v. voor de beroepsuitoefening van pedicures enz. kan hier in het midden worden gelaten. Wordt toch dit ontwerp aangenomen, dan zullen zij zich slechts hebben te onthouden van hetgeen valt onder het verbod van art. 17a, meer bepaaldelijk van „heelkundige operatiën". »

Onder deze omschrijving vallen alle heelkundige operatiën, ook de tandheelkundige. Welke bewerkingen als „heelkundige operatiën" verboden zullen blijven kan niet door wettelijke omschrijving maar slechts door de praktijk en de jurisprudentie worden uitgemaakt.

• Of bepaaldelijk voor de tandprothese, als speciaal onderdeel der tandheelkunde, afzonderlijke opleiding en examinar aan het publiek een leiddraad bij zijn keuze behooren te geven, is een vraag, die bij de wetgevende verbetering, welke door de meerderheid van den Oentralen Gezondheidsraad gewenscht wordt, terzijde kan worden gelaten.

§ 5. OnwenSchelijkheid van nieuwe strafbepalingen of aanvulling of verscherping van bestaande

Het heeft een punt van ernstige overweging uitgemaakt, of, bij het vrijlaten van de uitoefening der geneeskunst binnen He bij dit ontwerp gestelde grenzen, nieuwe strafbepalingen behoorden te worden gesteld of bestaande strafrechtelijke voorschriften behoorden te worden aangevuld of verscherpt. Die vraag is ten slotte ontkennend beantwoord. Twee soorten van strafbepalingen kwamen daarbij vooral in aanmerking. In de eerste plaats die, welke betrekking hebben op het veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld, artt. 307 en 308 Strafwetboek, in de tweede plaats de strafbepalingen tegen bedrog, artt. 326 v.v. Met betrekking tot de eerstgenoemde bepaling wordt verwezen naar de toelichting hierna te geven bij art. 17e.. Wat betreft de bepalingen tegen bedrog worde opgemerkt dat het hier betreft de bescherming van vermogen sbelangen, niet de belangen van leven en gezondheid. Al mag nu zeker de beteekenis van belangen van de eerste soort niet worden miskend, met het doel van het wetsontwerp stond het naar den voorgrond brengen van die belangen minder in verband. De vraag of de bepaling tegen bedrog, zooals die in art. 326 Strafwetboek is omschreven, voldoende rechtsbescherming biedt, heeft reeds herhaaldelijk een punt van overweging uitgemaakt; over de grenzen van de strafbaarheid van het bedrog bestaat hier en elders veel verschil van gevoelen. Het komt weinig wenschelijk voor, eene dergelijke meer algemeene vraag te beantwoorden in verband met een bijzonder onderwerp en met het oog daarop de algemeene strafbepaling uit te breiden. Nog. minder gevoelen

Sluiten