Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oostrumelische quaestie. De toon van eerstgemeld artikel was van dien aard, dat elke censuur dit zou hebben veroordeeld ; wat het tweede betreft, dit stond in verband met politieke redenen: het was, naar aanleiding van de zending-Khevenhüller, eene scherpe veroordeeling der Oostenrijksche staatkunde, en de regeering alhier kón daarop niet zwijgen, wilde zij niet met het Kabinet van Weenen in onmin geraken. De Westnik Jeivropi trekt nu partij voor beide bladen en zegt o. a.: Ons wil het schijnen, dat dit het onvermijdelijk gevolg is van de verdrukking der pers, zoodra daarbij eene zekere grens wordt overschreden. Een vrij, openlijk uitgesproken woord krijgt onder zulk omstandigheden iets onaangenaams voor het oor, het moge komen van waar het wil, en onverschillig wat de aanleiding is geweest. De critiek verkrijgt het karakter van iets ongeoorloofds te zijn, indien in haar uitersten vorm niet de grootste terughouding en zachtheid wordt in acht genomen. De controle over de pers verliest het doel uit het oog, waarvoor zij werd ingesteld, en strekt hare werkzaamheid ver over de oorspronkelijke grenzen uit."

Hier wordt dus een maatregel der censuur vrij scherp veroordeeld, zonder dat diezelfde censuur het drukken dezer berisping verhindert, hetgeen van een onpartijdig standpunt beschouwd voor hare objectiviteit en hare gematigdheid pleit, en opnieuw bewijst, hoe zij, zoodra niet staatkundige of andere redenen van hoog belang in het spel zijn, meestal veel door de vingers ziet.

Zooals vele zaken in Rusland, is ook de pers betrekkelijk nog jong. Ondanks al hare gebreken heeft zij reeds veel goeds verricht. Zoodra het volk zich meer en meer zal ontwikkelen, waartoe de pers in elk geval reeds veel bijdraagt, zal ook zij nog belangrijk kunnen worden uitgebreid, en de gebreken die haar thans nog aankleven, zullen langzamerhand kunnen worden overwonnen.

In het geheel verschijnen in het Russische rijk 776 periodieke geschriften (1) Dertig percent daarvan worden

~ (1) In de „Algemeene,, Konst en letterbode" voor 1854 is opgenomen

Sluiten