Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prjevalski (i)en eenige andere reizigers hebben in de laatste jaren gedeeltelijk op last, en in elk geval gesteund door

(i) Prjevalski overleed in het najaar van 1888. Van zijne vroegste jeugd af, legde hij een groote lust om te reizen aan den dag. In 1867— 69 maakte hij zijne eerste reis in het Oessoerigebied. Hij trok te voet in verschillende richtingen door de eenzame streken van dat gebied en onderzocht in het bijzonder de oevers van het meer Khanka, toentertijd zeer weinig bekend.

De schitterende uitkomsten dezer reis, welke met zeer bescheidene middelen was volbracht, vestigden de aandacht der geleerden op den stoutmoedigen reiziger. Toen Prjevalski dan ook het voornemen had opgevat eene reis in Midden-Azië te ondernemen, werd hij krachtig ondersteund door het Russische geographische genootschap. In het begin der maand Mei 1871 werd hij aan het hoofd gesteld van eene expeditie naar Mongolië en oostelijk Thibet. Bijgestaan door den heer I iltself en met een escorte van twee kozakken legde hij op deze expeditie in bijna onbekende streken een weg af van 11.100 werst. De waardevolle uitkomsten van deze reis verzamelde hij in een boek, dat hij openbaar maakte onder den titel van ,,Mongolië en het land der Tangoeten." Dit werk werd beloond met de gouden medaille „Konstantijn" van het Geographisch genootschap.

Beschikkende over een subsidie van rb. 24,700, ondernam Prjevalski in 1876 zijne tweede reis naar Thibet. De expeditie, samengesteld uit 9 mannen, trok door de bezittingen van Jakoeb-Bek en ontdekte, met groote moeielijkheden, het thans goed bekende meer Lob-Noor. In den herfst van 1878 legde Prjevalski aan het geographisch genootschap het plan vóór van eene nieuwe reis naar Thibet. Hij had het voornemen daarheen te gaan door Mongolië en het Koekoe-Noor. De nieuwe expeditie vertrok in April 1879 van Zaissan en bereikte, na door de bergen van Thibet getrokken te zijn, den bovenloop der gele rivier. Bij zijne terugkomst van deze reis werd Prjevalski benoemd tot eerelid van het Geographisch genootschap.

Na de beschrijving van zijne derde reis ten einde gebracht te hebben, getiteld : ,, I an Zaïssan over Khani naar Thibet en naar den bovenloop der Gele Rivier", stelde Prjevalski het Geographische genootschap voor, eene expeditie uit te rusten naar noordelijk Thibet. Tot dit einde werd aan het genootschap een subsidie van rb. 43,58o toegestaan, en de nieuwe expeditie, bestaande uit 21 man, vertrok in het begin van November 1883 uit de stad Oegri. De bijzonderheden van deze expeditie zijn bekend.

Prjevalski heeft, behalve van de Russische en Berlijnsche aardrijks-

25

Sluiten