Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 106. Het al of niet bereikbare van een eenigszihs verzekerde bevordering op bepaalde tijdstippen, hangt voornamelijk af van de vraag of men er in slagen kan om de vereischte afvloeiing en de daarmede verband houdende grootere aanvullingen te verkrijgen. Terloops wordt opgemerkt dat tegenover de hoogere kosten van de grootere jaarlijksche contingenten de winst zou staan dat het aantal oudere sergeanten met een hoog salaris belangrijk kleiner zou zijn, en eveneens dat aan een aanzienlijk minder aantal onderofficieren een volledig pensioen zou moeten worden toegelegd.

De afvloeiingen zullen vergemakkelijkt worden met een bepaling als voorkomt in het voor-ontwerp voor een nieuwe pensioenwet voor de landmacht, krachtens welke o. m. aan de onderofficieren na 10 jaren dienst, van het 18de levensjaar gerekend, bij het verlaten van den dienst een gedeeltelijk pensioen zou kunnen worden toegekend.

De Commissie vestigt op het wenschelijke van die bepaHhg voor het bevorderingsvraagstuk der onderofficieren de aandacht.

Maatregelen tot bevordering der afvloeiing.

§ 107. De Commissie heeft nagegaan op welke wijze de afvloeiing van sergeanten en fouriers, zal moeten nagestreefd worden.

Met het oog op de schatkist zou afvloeiing in het algemeen het voordeeligst zijn kort voor het tijdstip waarop voor de in dienst blijvenden normaal de bevordering tot den hoogeren rang intreedt. Men zou dan van de zorg aan de opleiding van den af te voeren onderofficier besteed, een goed rendement hebben en van hem zoo lang mogelijk dienst hebben gehad. Intusschen is hij dan meestal gehuwd en is zijn leeftijd reeds te veel gevorderd om doorgaans goede kansen op te leveren voor een passenden werkkring in de maatschappij. Men zal er daarom naar moeten streven om de onderofficieren die minder geschikt blijken te zijn, zoomede zij die blijken geen bevrediging in den dienst te vinden, eerder te doen afvloeien.

Over een ontslag op grond van ongeschiktheid zal de beslissing moeten zijn aan den Minister van Oorlog.

§ 108. Wellicht dat de afvloeiing zou kunnen bevorderd worden door de kapitaal-waarde van het toe te kennen gedeeltelijk pensioen, met inachtneming van een gemiddelde sterftekans, bij het verlaten van den dienst als premie uit te betalen.

§ 109 Voorts acht de Commissie het aanbevelenswaardig om aan onderofficieren, die, vóór zij recht hebben op gedeeltelijk pensioen en na minstens vier jaren sergeant geweest te zijn, den dienst eervol verlaten, zoo de Staat hun geen passende positie kan verschaffen, een premie toe te kennen. Deze premie zóu voor ieder dienstjaar als sergeant ƒ 250.— kunnen bedragen. Wordt dit voorstel in het licht bezien van het feit dat de hierbedoelde onderofficieren, door- eenige jaren langer te dienen, pensioengerechtigd zouden worden, dan kan, naar de meening der Commissie, geen overwegend bezwaar tegen het voorstel rijzen.

§ 110. Een ander waarschijnlijk doeltreffend middel tot bevordering der afvloeiing zou men kunnen verkrijgen meteen goed geregeld capitulanten-stelsel. De Commissie is van meening dat voor een duurzame oplossing van het geheele kadervraagstuk, in de legerinrichting van thans, op het invoeren van het capitulanten-stelsel krachtig moet worden aangedrongen. Men zou dit stelsel kunnen invoeren op den voet van het rapport der „Commissie in zake de toekenning van burgerlijke betrekkingen aan gewezen militairen" van 24 April 1909. Uiteraard zullen de daarin vermelde betrekkingen uitbreiding behoeven in verband met de ambten die sedert, bij de invoering van sociale, economische en andere wetten zijn ingesteld en in verband met de sedert gewijzigde sociale toestanden. De betrekkingen, die voor de onderofficieren beschikbaar warén te stellen, zouden in overeenstemming moeten zijn met het hooger peil, waarop het onderofficierskorps volgens de meening der Commissie moet worden gebracht.

Sluiten