Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII. BIJZONDERE GROEPEN ONDEROFFICIEREN.

Hoofdopzichters en Opzichters van Fortificatiën.

Inleiding.

§ 183. Bij brief van den Minister van Oorlog van 2 December 1918, III Afd. no. 109, kreeg onze Commissie mededeeling dat de Vereeniging van Hoofdopzichters en Opzichters van Fortificatiën zich met een nota tot den Minister had gewend ten einde tot een gewijzigde positie-regeling dier militairen te komen, tevens dat de Minister deze Vereeniging naar onze Commissie had verwezen.

Bij de Commissie is een nota van denzelfden inhoud ingekomen. Aan het Bestuur der Vereeniging is daarop de gelegenheid gegeven de voorstellen en wenschen mondeling toe te lichten. Deze betreffen achtereenvolgens: de werving, de opleiding, de aanstelling, de positie en bevordering, dé salariëering, de geneeskundige behandeling, de pensionneenng, de inkwartiering, de bestraffing, de langdurige verloven en de beoordeelingslijsten.

De Commissie heeft die punten onderzocht en geeft, onder overlegging der nota in manuscript, als Bijlage X, haar ge-, voelen daaromtrent in het hierna volgende weer.

Werving.

§ 184. Waar het in het voornemen ligt om in het algemeen het ontwikkelingspeil van de onderofficieren op te voeren, en in verband daarmede een hooger minimum ten aanzien van kennis en algemeene ontwikkeling voor de aanneming als eisch vast te stellen, zoo wordt vermeend, dat in deze ook in voldoende mate aan de wenschen van bovengenoemde >. vereeniging zal worden tegemoet gekomen.

De opmerking in de nota, dat bij de bestaande regeling practische eischen, met betrekking tot eenig ambacht aan het bouwvak verwant, niet worden gesteld, wordt niet geheel juist geacht. Immers volgens art. 19 van het „Reglement der scholen bij het Regiment Genietroepen" moeten de aspiranten voor den Opzichterscursus waarborgen geven o.a van „practische geschiktheid" om later een goed fortificatie-opzichter te kunnen worden. Niet mag worden vergeten, dat men hier te doen heeft met sergeanten der genie, die als zoodanig reeds practische bedrevenheid en geschiktheid op velerlei technisch gebied hebben verworven. Dat overigens bepaaldelijk de eisch zou moeten gelden, dat aspirant-opzichters reeds bij het aangaan van hunne dienstverbintenis een zekere mate van theoretische en practische bekwaamheid op bouwkundig gebied bezitten, wordt niet ingezien.

De opleiding dient immers om de vereischte bekwaamheid bij te brengen. Voor de aspirant-officieren der genie (cadetten) wordt een dergelijke toelatingseisch evenmin gesteld.

Overigens zij omtrent de 5 in de nota ten aanzien van de „Werving" nader geformuleerde wenschen, 'het volgende opgemerkt:

ad. 1. afzonderlijke werving voor aspirant-opzichter van fortificatiën wordt niet noodig of gewenscht geacht. Het huidige stelsel ware te bestendigen, waarbij de opzichters worden gerecruteerd uit de sergeanten der genie, hetgeen in de practijk nimmer als een nadeel werd ondervonden.

Deze regeling komt in het algemeen aan de onderofficieren

Sluiten