is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de Commissie, ingesteld om een advies uit te brengen a.d. Min. van Oorlog in zake de regeling van onderwerpen betr. de positie der Beroepsonderofficieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het voorstel b.v. om een regiments-hoefsmid of een brigadeschoenmaker of -kleermaker met de controle en het toezicht te belasten op den dienst en den arbeid van de betreffende werklieden van het korps, komt der Commissie voor weinig aanbevelenswaardig te zijn.

§ 214. Zonder uitzondering is geen enkele categorie of groep van de werklieden bij de korpsen met de voor hen bestaande rangsregeling tevreden.

Verreweg de meeste groepen hebben te kennen gegeven, dat zij het billijk achten dat alle onderofficiersrangen voor hen opengesteld zullen worden Dat er verschillen zouden zijn in de ambachten naar gelang van den aard, van de vereischte bekwaamheden en van den duur, die noodig is om zich tot een volleerd werkman te vormen, wordt door de betrokkenen weinig ingezien. Dat bijv. de positie van een volleerd geweermaker hooger moet aangeslagen worden dan die van een goed militair schoenmaker zal door laatstgenoemde niet toegegeven worden.

§ 215. De Commissie is er sterk van overtuigd geworden dat langs den tot heden gevolgden weg, nimmer een toestand zal worden verkregen, die bevrediging brengen zal. Het is b.v. in hooge mate teleurstellend, dat van de zijde der hoefsmeden en timmerlieden, voor wie nog zeer onlangs een rangsverhooging is bereikbaar gesteld, opnieuw de billijkheid van nog hoogere rangen bepleit wordt. *) Die aanspraken en de daarmede gepaard gaande ongedurigheid vloeien voort uit het stelsel, dat aan de ambachtslieden militaire rangen' verleent. De Commissie meent daarom te moeten in overweging geven om ten aanzien van de werklieden bij de korpsen in dat stelsel verandering te brengen.

Men bepale zich tot de onderscheidingen: werkman 2de klasse, werkman lste klasse en meester werkman, zooals die ook thans gebruikelijk zijn, dus zonder daaraan eene militaire rangsverleening te verbinden. Bovendien wordt voorgesteld een onderscheiding „baas" in te voeren Dit voorstel wordt nog nader toegelicht Het wordt niet juist geacht aan de werklieden het militair gezag van meerderen te geven over de overige militairen. In een modern samengesteld leger is dit ook oneigenaardig. Een burger van den Staat die zijn dienstplicht vervult, beseft de onvermijdelijkheid van zijn ondergeschiktheid aan zijn korporaal, maar de ondergeschiktheid aan den schoenmaker en in het algemeen aan een werkman van het korps is niet zoo van zelf sprekend en kan allicht den indruk maken van onlogisch en onnoodig te zijn.

De assimilaties aan bepaalde rangen moeten dan ook naar de meening der Commissie niet de beteekenis hebben van een gezagsverleening, maar alleen de beteekenis van een klasseering, welke aanwijst hoe met de betreffende werklieden gerekend moet worden ten aanzien van inkwartiering vervoer per openbaar middel, toegang tot cantines en verdere* soortgelijke aangelegenheden van bijzonderen of internen aard.

§ 216. In voormelden geest zouden de werklieden bij de korpsen als volgt moeten worden geassimileerd: de werkman 2de klasse ) de ï^e ( met korporaal.

de meestér-werkman met sergeant, de baas met sergeant-majoor.

Het wordt wenschelijk geoordeeld rekening te houden met den toestand, dat in de positie van meestér-werkman thans twee militaire rangen voorkomen; op dien grond worde bepaald, dat de meestér-werkman die thans sergeant-majoor kan worden, het onderscheidingsteeken van baas zal bekomen op het tijdstip dat zijne aanstelling tot sergeant-majoor thans toelaat.

KolpoIXtf^neri/^ gorden van korporaal tot sergeant-majoor gemaf kt maanden een promot.e