is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de Commissie, ingesteld om een advies uit te brengen a.d. Min. van Oorlog in zake de regeling van onderwerpen betr. de positie der Beroepsonderofficieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 217. Uit een en ander vloeit voort, dat de werklieden voortaan niet de distinctieven der legerrangen zullen moeten dragen, maar nieuw in te stellen distinctieven van hun positie als werkman. Deze distinctieven zouden gepaard kunnen worden aan een distinctief, dat aanduidt welk vak de drager daarvan uitoefent.

§ 218. De Commissie acht het nuttig, dat ten aanzien van de werklieden bij de korpsen nog onderscheid worde gemaakt in een categorie, die zooals met de hoefsmeden en de bankwerkers het geval is, haar diensten in de onmiddellijke nabijheid van den troep moet verrichten en de overige werklieden, die als norm niet bij hun troep het gevechtsveld behoeven te betreden.

Voor laatstbedoelde groepen wordt het onnoodig geoordeeld, dat zij uniform dragen. Voor hen moeten ook de bepalingen omtrent den verplichten groet niet gelden. Zij zouden bij mobilisatie van een teeken kunnen worden voorzien ter aanduiding, dat zij tot de weermacht behooren. Naast dit teeken zouden dan het vak- en het positie-distinctief kunnen worden gedragen.

§ 219. De Commissie meent, dat met het volgen van vorenstaand advies de ongedurigheid der werklieden bij de korpsen, blijkende uit hun onvermoeid en telkens vernieuwd streven om hoogere legerrangen te verkrijgen, op de beste wijze zal kunnen beëindigd worden. Het is vooral het aanzien naar buiten, dat de werklieden blijkens hun vertoogen deswege, doet ijveren voor hoogere rangen. Van de kleer- en schoenmakers b.v. is langdurig de klacht vernomen dat het de gansche groep drukte om in de maatschappij aangezien te worden voor personen, die het niet verder hadden kunnen brengen dan tot den rang van korporaal. Soortgelijke klachten gingen en gaan uit van alle werkliedengroepen en men kan niet altijd zeggen, dat zij geheel zonder grond zijn, indien zij in vergelijking met een aanverwante en beter bedeelde groep, worden voorgedragen.

De werkmansdistinctieven zullen den werkman naar buiten als werkman teekenen. Tegen een rangsdistinctief als werkman zal, naar de meening der Commissie, door geen werkman een redelijk bezwaar kunnen worden ingebracht.

§ 220. Ten slotte zij er nog de aandacht op gevestigd, dat de voorstellen tot regeling van de militaire positie der werklieden bij de korpsen slechts betrekking hebben op het uiterlijk, d.w.z. op hun titulatuur en hunne distinctieven. De regelingen betreffende hun dienst, hun dienstvoorwaarden, hun abonnementen en hunne salarissen, zoomede betreffende hun positie-verhoogingen en hun pensioen behoeven tengevolge van de invoering dezer voorstellen niet veranderd te worden.

§ 221. Volgens de zienswijze der minderheid, die zou wenschen, dat het werk van de schoen-, de kleer-, de geweer- en de zadelmakers aan burgers worde opgedragen, leidt het indeelen van werklieden voor deze taken in de militaire organisatiën tot formalisme. , ,

Voor zoover daarvan voorbeelden werden bijgebracht acht de Commissie het nuttig daarvan in dit rapport melding te maken. De schoen- en kleermakers bij de regimenten vestingartillerie zijn niet in staat om voor de verspreid gelegerde onderdeden de reparatiën te verrichten; in de meeste garnizoenen moeten burgerwerkkrachten met deze reparatiën worden belast. Op dien grond acht de Commissie de regiments-schoen- en kleermakers bij deze regimenten, die in oorlogstijd bovendien een meer plaatselijke taak hebben, overbodig.

Voorts worde er op gewezen dat de Staat voor het voldoende levensonderhoud van de organiek bij de korpsen ingedeelde werklieden moet zorg dragen en dat aan de werklieden m perioden, dat hun verdiensten gering zijn, een toelage pleegt te worden uitbetaald.