Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX. OVERGANGSBEPALINGEN.

§ 239. In het rapport is meermalen sprake van een vernieuwd korps onderofficieren, van een nieuwen toestand, van beter onderlegde en met meer zorg opgeleide onderofficieren, enz. Er kan twijfel rijzen of sommige voorstellen en adviezen der Commissie wellicht slechts alleen toepasselijk zijn voor een toekomstig korps onderofficieren.

In de opdracht om aangaande de positie-regeling der onderofficieren voorstellen te doen moet echter ook gedacht zijn aan de personen, die thans het korps onderofficieren uitmaken. In het algemeen betreffen de adviezen der Commissie dan ook zoowel het tegenwoordige als het latere korps, dat op een hooger plan zal staan.

Intusschen is het noodig aan dien algemeenen regel iets toe te voegen. Voor het tegenwoordige ontbreekt aan het wetenschappelijk gehalte van de onderofficieren, inzonderheid aan dat der sergeanten veelal nog al wat. De Commissie was op dit punt bij den aanvang harer werkzaamheden eenstemmig, al hebben sommige leden vooral ook nadruk gelegd op een tekort aan moreelen ernst en moreele waardigheid, dat zij niet wilden nalaten te constateeren.

De tekortkomingen in het tegenwoordig korps onderofficieren zijn bij het onderzoek vooropgezet; daarin is het voornaamste motief gezien voor de verbeteringen, die de Commissie voor de aanneming en de opleiding in hoofdtrekken heeft ontworpen. Uit dien hoofde vooral moet er op enkele punten eenig voorbehoud gemaakt worden voor wat de onmiddellijke toepasselijkheid aangaat van de voorstellen voor het bestaande korps onderofficieren. Onder meer op dien grond worden eenige overgangsbepalingen noodig geacht.

§ 240. De tegenwoordige sergeanten, die niet op het peil van ontwikkeling zijn, dat voor den sergeant in het moderne leger gevorderd wordt, zullen, indien zij nog bevordering willen maken, zich moeten inspannen om bekwamer te worden. Ten einde daarvoor een prikkel te geven beveelt de Commissie aan, dat geen sergeanten tot een opleiding voor een hoogeren rang zullen worden toegelaten, die niet aan de algemeene eischen voor den sergeantsrang voldoen, voor zoover dit ingevolge Bijlage IV uit een examen moet blijken.

Deze aanvulling der algemeene eischen zal een waarborg moeten geven dat de leerlingen de meer uitgebreide opleidingen voor den hoogeren rang goed zullen kunnen volgen.

§ 241. Alle opleidingen van onderofficieren tot een hoogeren rang zullen, voor zoover dit doenlijk is, al dadelijk in overeenstemming moeten worden gebracht met de eischen, die in het rapport zijn aangegeven en diensvolgens op een hooger peil worden gebracht. Vermoedelijk zal het in verband daarmede noodig zijn den duur van sommige opleidingen te verlengen.

De verhooging der zuiver wetenschappelijke eischen kunnen zich, voor den overgangstijd bepalen tot de onderwerpen vermeld in Bijlage XIV.

De opleidingen voor sergeant-majoor-instructeur en sergeant-majoor-administrateur zullen reeds aanstonds op den voet der voorstellen moeten worden gecentraliseerd.

§ 242. Wanneer uit de kringen der sergeanten maatregelen worden genomen om zich wetenschappelijk voor de toelating

Sluiten