Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE IV. (zie blz. 21)

ALGEMEENE EISCHEN OM TE WORDEN AANGESTELD TOT SERGEANT.

1. Blijk hebben gegeven in alle opzichten een goed bruikbaar aanvoerder te zijn.

2. Veel dienstijver betoonen. Van goed gedrag zijn waarbij in het bijzonder gelet wordt op waarheidsliefde, betrouwbaarheid en onderworpenheid aan de krijgstucht.

3. Een goede militaire houding bezitten, daaraan de noodige beschaving paren en goede zorg besteden aan uiterlijk voorkomen en houding.

*4. Goed leesbaar schrijven zonder taal- of stijlfouten, blijkende uit het maken van een opstel naar keuze uit eenige op te geven onderwerpen.

Eenigszins uitvoerige kennis hebben der aardrijkskunde van Nederland; eerste beginselen der wiskundige aardrijkskunde.

5. Het onderwijs in een der vreemde talen (Fransch, Engelsch of Duitsch) met vrucht hebben gevolgd, blijkende uit de beoordeelingscijfers in den afgeloopen cursus.

*6. Een rapport en een eenvoudigen dienstbrief behoorlijk kunnen stellen.

*7. Alles overeenkomstig den eisch kunnen voordoen, wat aan den soldaat practisch moet worden onderwezen.

8. Tact bezitten en opgewektheid betoonen in den omgang met ondergeschikten.

9. Gemakkelijk en vlot zijne gedachten kunnen uitdrukken en tact hebben bij het ondervragen van anderen.

10. Besluitvaardigheid bezitten.

11. Vlug opmerken; waargenomen feiten duidelijk en zakelijk kunnen weergeven.

12. Lichamelijk geschikt zijn voor den dienst te velde.

*13. Voldoende bedreven zijn in het houden van theorie.

14. Met vrucht een cursus in eerste hulp bij ongelukken hebben gevolgd.

*15. Voldoende begrip hebben van anatomie en gezondheidsleer.

*16. Een goed begrip hebben van krijgstucht en de middelen om haar te handhaven. De bepalingen omtrent het gezag en de verantwoordelijkheid kennen en eenige kennis hebben van het reglement van krijgstucht en van het crimineel wetboek.

*17. Kennis hebben van de hoofdzaken der voedingsleer. 18. Met vrucht het onderwijs gevolgd hebben betreffende de beginselen der opvoedkunde, in het bijzonder betreffende karaktervorming van jeugdige personen, blijkende uit een verklaring van den leeraar.

*19. Kennis hebben van het reglement op den inwendigen dienst.

*20. Idem van den garnizoensdienst, voor zoover voor den onderofficier vereischt.

N.B. In de met * gemerkte eischen moet een examen worden afgenomen.

Sluiten