Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan men in enkele maanden niet leeren uit de voorschriften en bepalingen, en zij die dit zullen trachten te doen, bezitten slechts een zeer oppervlakkige kennis, voor hun Chefs van weinig waarde.

Een en ander zal tot schade zijn aan de richtige uitvoering van de toch al zeer omvangrijke bepalingen.

Wenscht men de bevordering tot adjudant-onderofficierinstructeur te verbeteren, dan staat hiervoor open de aanstelling tot dien rang bij de compagnieën na het hiervoren aangegeven,aantal dienstjaren in den lageren rang.

De taak van instructeur bij de compagnie mag niet worden onderschat en zal meermalen blijken minstens even belangrijk te zijn dan die welke thans door den Adj. O. O. Instr. bij den Regimentsstaf wordt vervuld.

Wenscht intusschen een instructeur zich te begeven in administratieve richting, dan zou hem de gelegenheid geopend moeten worden zich te bekwamen voor adjudant-onderofficier der militaire administratie.

Met afwijking van hetgeen in het verslag vermeld is omtrent de toelating tot de opleiding voor die betrekking, zijn ondergeteekenden van oordeel dat zeer zeker de instructeur met goed gevolg een dergelijke opleiding zou kunnen volgen.

Immers toch komt de luitenant-kwartiermeester voort uit de sergeanten, die als zoodanig absoluut geen administratieve kennis bezitten.

De taak van den kwartienneester is in de betrekkelijke voorschriften zoodanig omschreven, dat ook zij die geen routine bezitten op het gebied der militaire administratie, zich met vrucht voor bedoelde functie kunnen bekwamen. De ervaring, meer voornamelijk gedurende de mobilisatie, was ondergeteekenden hiervoor mede een voldoend bewijs.

Tenslotte vestigen ondergeteekenden de aandacht op het voorgestelde betreffende de invoering van den rang van adjudant-onderofficier le klasse.

Hunne bezwaren tegen invoering van den nieuwen rang zijn in het rapport opgenomen, doch treden niet voldoende naar voren.

De kleinst-mogelijke meerderheid heeft zich verklaard vóór de invoering van den hoogeren rang en de grootst-mogelijke minderheid daartegen, zoodat blijkt dat de eenstemmigheid omtrent dit punt veel te wenschen overliet.

Is het vorenstaande reeds een aanwijzing om eenige reserve in acht te nemen omtrent de wenschelijkheid van invoering, men wordt daarin nog versterkt door de uitspraak der meerderheid ten aanzien van het toekennen van dien rang aan bepaalde groepen van personen.

Sommige leden onthielden zich van stemming daarover, op grond van de omstandigheid dat zij niet de bijzondere kennis hebben om dergelijke betrekkingen vergelijkend te beoordeelen.

Gelet op deze verdeeldheid in de Commissie, zijn ondergeteekenden van oordeel dat alleen daarom reeds de instelling van een hoogeren rang dan dien van adjudant-onderofficier geen aanbeveling verdient. Zij zouden de invoering daarvan betreuren omdat nu reeds verschijnselen waarneembaar zijn van oneenigheid in het korps onderofficieren dat in groote meerderheid die uitbreiding van rangen niet wenscht.

De noodzakelijkheid van de grootst mogelijke eenheid in het korps onderofficieren, doet hen met kracht aandringen tot het niet aanvaarden van het voorstel tot invoering van een hoogeren rang.

Amersfoort, 13 November 1919.

H. B. BERGHUIJS. C. BLOKKER.

Sluiten