Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

satie-regeling eigenlijk nog verder moest gaan dan voorgesteld is, heeft zij gemeend zich van eenigen aandrang of eenig voorstel in die richting te moeten onthouden, met het oog op de belangen der schatkist. Van dien kant beschouwd komt het der Commissie dan ook voor, dat het doen vervallen van genoemde beperking in art. 92 reeds ver genoeg gaat en heeft zij gemeend zich te moeten bepalen tot eene betuiging van instemming met genoemde wijziging.

11. Opbrengst van belegde tantièmes en dividenden.

Eene zeer gecompliceerde quaestie heeft zich voorgedaan bij de toepassing der artikelen 23 en 24 van de Wet op de O.W.-belasting. Volgens art. 24 n.1. zijn tantièmes en dividenden van binnenlandsche naaml. vennootschappen voor de belastingplichtigen, die ze ontvangen, vrijgesteld van O.W.-belasting, aangezien deze zoogenaamd bij de bron belast worden. Worden echter tantièmes en dividenden bespaard en bij het vermogen gevoegd, zoodat de opbrengst daarvan het inkomen in een volgend jaar wederom doet toenemen, dan wordt over deze toename O.W.-belasting van eenen particulier geheven, althans voor zoover die meerdere opbrengst het gevolg is van belegging van hetgeen aan tantièmes en/of dividenden meer is ontvangen dan in de vergelijkingsjaren. Tevergeefs is, naar der Commissie ter oore is gekomen, door belanghebbenden een beroep gedaan zoowel op art. 23 als op art. 24.

Art. 23, dat juist oorspronkelijk ten doel had de opbrengst van weer belegde baten, voor zoover zij de 5°/0 niet te boven gaat vrij te stellen, indien voor die baten zelf O.W.-belasting is betaald (zie het hierachter als bijlage V opgenomen oorspronkelijk voorontwerp der Staatscommissie met de toelichting) wordt door den fiscus niet toepasselijk geacht, omdat de tegenwoordige redactie aan de vrijstelling de voorwaarde verbindt, dat de belastingplichtige i.c. de particulier voor de primaire vermeerdering van inkomen is, aangeslagen. Dit nu is juist bij de tantième- en dividendtrekkers niet het geval, al wordt feitelijk de belasting door hen geleden, daar deze door de vennootschap krachtens art. 14 laatste lid der wet op de uitdeeling aan hen wordt in mindering gebracht.

Ook art. 24, volgens 't welk iedere vermeerdering van inkomen, die het gevolg is van eenige uitdeeling gedaan door eene binnenlandsche naaml. vennootschap of andere vereeniging van personen, niet door de O.W.-belasting zal worden getroffen, kan naar het oordeel van den fiscus den belanghebbende hierin geene hulp brengen, omdat dit artikel alleen zou gelden voor eene inkomstenvermeerdering die een onmiddellijk gevolg is van eene zoodanige uitdeeling. Ja zelfs gaat de fiscus zoover om ook voor 't geval dat de opbrengst van bespaarde en belegde meerdere tantièmes en dividenden weer uit dividenden bestaat, de toepasselijkheid van art. 24 uit te sluiten, op grond van de redeneering, als zou deze secundaire vermeerdering van inkomen geen gevolg zijn van de latere dividenden, maar een middellijk gevolg van de oorspronkelijke meerdere tantièmes en dividenden en dus als zoodanig niet onder art. 24 vallen.

Sluiten