Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het eilandeke Grint aannemelijker worden geacht.1) Hier te beslissen valt moeilijk. Voor ons is het trouwens genoeg te weten, dat eens de Romein zich op of omtrent Schellingerland heeft vastgenesteld, om een loerend oog te houden over de gouwen der onderworpen Friesen.

Veertig jaren lang, van 12 voor Chr. tot 28 na Chr. hield de bezetting daar in ongestoorde rust verblijf, en trouw leverden de Friesen telken jare de belasting van ossenhuiden aan hunne overweldigers. Doch in het jaar •28 ging de slotvoogd van Flevum, die den naam Olennius droeg, een onredelijk harden eisch stellen. Hij verlangde in plaats van de gewone ossenhuiden de vellen van wilde oerossen, die zwaarder van bouw waren dan het tamme rundvee in de stallen. En nu doolde wellicht in de wouden van het Friesche land nog wel een drift van dit wilde hoornvee rond, maar in geen geval was hun aantal toereikend, om aan den buitensporigen eisch van den regent te voldoen. Toen dan ook ter bestemder tijd de bedongen hoeveelheid huiden niet werd afgeleverd, moesten de schatplichtigen daarvoor zwaar boeten. De Romein legde beslag op hun vee en akkers, voerde zelfs hunne vrouwen en kinderen in slavernij weg, en bleef verder doof voor elke klacht, die over deze schreiende ongerechtigheid opging. —

Ten einde raad moest eindelijk het zwaar getergde volk zijn vuist wel keeren tegen den onderdrukker. Toen Olennius op zekeren dag weder soldaten uitzond om schatting te innen, greep een saamgeschoolde menigte hen aan en hing hen zonder vorm van proces aan de galg. De slotvoogd redde zelf ter nauwernood zijn leven door de vlucht binnen de wallen van Flevum.

') Pleyte, Ned. Oudheden, bl. 57

Sluiten