Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden verscholen. Want de zeeschuimers uit de »grimma herna",1) waren woestelingen, die slechts aasden op bloed en buit en zingenot. Wie de weedom, door deze vrijbuiters over onze gewesten gebracht, wil leeren kennen, sla slechts een blik in het oude Friesche landrecht, dat bepalingen inhoudt, die slechts geboren kunnen zijn uit daden van onmenschelijke wreedheid en willekeur. Eén enkel artikel dezer eerbiedwaardige wetten is meer welsprekend dan breede verhalen.

Dat Westergoo en Oostergoo meê het eerst de slagen van den »Noordschen geesel" hebben gevoeld, ligt voor de hand. De breede boezem der Borne toch drong diep landwaarts in tusschen beide gouwen en bood ruimschoots gelegenheid, om de dorpen aan haar kust te plunderen. Ook het schiereiland, dat de Borne ten Westen omsloot, heeft ruim zijn deel gehad in de algemeene verwoesting. In 780 werden Dykshorne en Sexbierum verbrand. In 810 verscheen een bode voor Karei den Grooten te Aken met de Jobstijding: de eilanden der Friesche kust zijn deerlijk geplunderd door het Noordsche gespuis.2)

Op last van dezen machtigen gebieder, die volkomen doorzag, welke gevaarlijke vijanden de «zeekoningen" voor zijn rijk waren, werden nu aan alle zeegaten en kusten wachten gesteld, die op het eerste gezicht van roofschepen alarm moesten maken en het volk te wapen roepen. Dat was clan ook de eenige krijgsdienst waartoe Karlemanje de vrije Friesen verplichtte. »Zij behoeven — zoo luidt het in de oude Friesche wetten — niet verder ten heirvaart te trekken dan de Wezer ten Oosten, het Flie ten Westen, met ebbe uit en terug met vloed, om de kust te verdedigen des daags en des nachts tegen

') Herna = landstreek.

2) Bolhuis, De Noormannen in Nederland, bl. 35 v.v.

Sluiten