Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwe plannen tegen het aanstaande voorjaar. Stadhouder Robles was afwezig, maar zijn onderaanvoerder Bustamantius brandde van verlangen om het zwaard tegen de vrijbuiters te trekken, en dan roem te behalen. Op een stormachtigen nacht liet hij op verschillende punten zijne soldaten de W adden oversteken naar Ameland. Doch in plaats van elkander af te wachten, vlogen degenen die 't eerst waren geland, dol van strijdlust op de Geuzen los en maakten dertig krijgsgevangen. Maar toen zij vernamen, dat op den Oosthoek des eilands nog een sterke bende «piraten" was gekampeerd, sloeg de schrik hen om 't hart. Zij verschansten zich nu in de kerk te Hollum, totdat de vloed opkwam en verlieten toen ijlings het onherbergzame eiland. De krijgsgevangenen werden aan een scherp verhoor onderworpen en dit bracht aan het licht, dat op Schellingerland nog drie benden Geuzen waren, voor 't meerendeel bestaande uit soldaten van den Prins van Oranje, die hun geen voldoende soldij had kunnen betalen. Bustamantius zond nu onmiddellijk een spion naar dit Geuzennest, in de hoop dat daar voor hem nog een goeden slag viel te slaan. Tot zijn spijt waren echter de wilde vogels al

reede gevlogen.1)

Toch lieten de Geuzen hun oude wijkplaats nog niet geheel varen. Nog in het voorjaar van 1576 was Schellingerland vervuld van hun rumoer. De-onverschrokken Geuzenkapitein Barthold Mentens van Mentheda verzamelde er toen schepen en manschappen voor een nieuwen krijgstocht, ten dienste van den Prins en de Staten van Holland. Een geschiedschrijver2) kenschetst

') Joh. Car. 1. 1. pag. 214s.

Te Water, Verbond der edelen, Dl. II, bl. 386.

Sluiten